Hof 's-Hertogenbosch 21-08-2001, JAR 2001, 186, RvdW KG 2001, 274


Bedrijfsongeval (beroepsziekte; mesothelioom). Verjaring.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2001, 186.

De werknemer heeft van maart 1959 tot medio 1963 als (leerling)-fitter van het waterleidingbedrijf bij de gemeente Helmond gewerkt. Hij werd daarbij blootgesteld aan asbeststof afkomstig van asbestcement buizen in het waterleidingnet. Na 1963 heeft werknemer bij andere werkgevers werkzaamheden verricht waarbij blootstelling aan asbeststof niet uitgesloten kan worden. In november 1998 is vastgesteld dat de werknemer aan mesothelioom leed. Op 23 april 2001 is hij aan deze ziekte overleden. De werknemer heeft de gemeente voor zijn schade aansprakelijk gesteld. De president in kort geding heeft een voorschot ad NLG 75.000,-- op de geleden en nog te lijden schade toegewezen. In hoger beroep stelt de gemeente in de eerste plaats dat de president ten onrechte haar beroep op verjaring heeft afgewezen. Het hof verwerpt deze grief. Toepassing van de geldende verjaringstermijn van dertig jaar zou betekenen dat werknemer nimmer schadevergoeding had kunnen vorderen omdat meer dan dertig jaar zijn verstreken tussen de schadegebeurtenis (uiterlijk 1963) en het optreden van de schade (1998). Dit is strijd met het in art. 6 EVRM verankerde grondrecht van recht op toegang tot de rechter. Bovendien geven ook de gezichtspunten zoals genoemd door de Hoge Raad in zijn arrest van 28 april 2000 (Van Hese/De Schelde, RvdW 2000, 118, JOL 2000, 264, JAR 2000, 122, NJ 2000, 430, Rechtspraakoverzicht Arbeidsrecht 2000, blz. 27) aanleiding om het beroep op de verjaringstermijn in onderhavig geval als onaanvaardbaar aan te merken. De gemeente stelt voorts dat er onvoldoende causaal verband bestaat tussen werk en schade omdat bij het werk van de werknemer slechts zeer kleine hoeveelheden asbeststof vrij kunnen zijn gekomen. Het hof is echter van mening dat, mede gelet op de bewijsregels in kort geding, voldoende aannemelijk is gemaakt dat sprake is geweest van blootstelling aan asbeststof en dus van de mogelijkheid tot inademing ervan. Aldus heeft de president de gemeente terecht tot betaling van schadevergoeding veroordeeld. Dat de werknemer mogelijk bij meer werkgevers aan asbeststof blootgesteld is geweest, leidt niet tot een ander oordeel, nu noch de president noch de werknemer zich op art. 6:99 BW hebben beroepen

Terug naar overzicht