Hof 's-Hertogenbosch 23-02-1999, NJ 2000, 370


Bedrijfsongeval. Aansprakelijkheid inlener. Competentie. Bewijs.

Een werknemer in dienst van een installatiebedrijf, overkomt tijdens werkzaamheden ten behoeve van een derde een bedrijfsongeval op een bouwwerk, ten gevolge waarvan hij ernstig letsel oploopt. De werknemer acht de "inlener" aansprakelijk voor de schade en vordert een schadevergoeding. De kantonrechter acht zich onbevoegd omdat de werknemer een onrechtmatige daad aan zijn vordering ten grondslag heeft gelegd, en verwijst de zaak naar de rechtbank. De rechtbank wijst de vordering toe. Het Hof overweegt dat de Hoge Raad in zijn arrest van 15 juni 1990 (RvdW 1990, 127, NJ 1990, 716) heeft gesteld dat in geval van tewerkstelling bij een derde, die tekortschiet in de zorg voor de veiligheid van de hem ter beschikking gestelde werknemers, art. 1638x BW (oud) niet van toepassing is, doch dit niet uitsluit dat de werknemer naast zijn eigen werkgever ook de "inlener" uit onrechtmatige daad kan aanspreken terzake van fouten van de "inlener" of zijn ondergeschikten. Hetgeen in de rechtspraak is aanvaard terzake van de stelplicht en de bewijslast in een geding ex art. 1638x BW (oud), is van overeenkomstige toepassing. De vraag of de nalatigheid in de zorgplicht de "inlener" dan wel zijn werknemers moet worden verweten, is niet relevant, omdat de werkgever naar het voor 1 januari 1992 geldende recht ook voor onrechtmatig handelen van ondergeschikten aansprakelijk is. Het Hof bekrachtigt het vonnis.

Terug naar overzicht