Hof 's-Hertogenbosch 30-01-2001, NJ 2002, 115


Kennelijk onredelijk ontslag.

(Zie voorgeschiedenis HR 17-12-1999, Thuiszorg/Plum, RvdW 2000, 8, JOL 1999, 251, NJ 2000, 171, JAR 2000, 29, Rechtspraakoverzicht Arbeidsrecht 2000, blz. 56). Een gezinsverzorgster, 25 jaar in dienst, salaris NLG 1.346,09 bruto per vier weken op basis van een 16-urige werkweek, wordt na een ingetrokken ontslag op staande voet met toestemming van de RDA ontslagen. Zij vordert in een kennelijk onredelijk ontslagprocedure een vergoeding van NLG 100.000,-- bruto. De kantonrechter wijst de vordering af in tegenstelling tot de rechtbank die na twee herstelvonnissen NLG 54.000,-- netto toewijst. De Hoge Raad is van oordeel dat de rechtbank is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting, door te oordelen dat de werkgever had dienen aan te geven wat zijn belang bij beëindiging van de arbeidsovereenkomst was en dat het ontbreken van een financiële regeling gerechtvaardigd was. De rechtbank heeft miskend dat de stelplicht en de bewijslast ten aanzien van de kennelijk onredelijkheid bij de werkneemster lag. Bovendien is de overweging van de rechtbank dat de positie op de arbeidsmarkt niet gunstig is, zonder nadere motivering onduidelijk. Daarnaast heeft de rechtbank niet gemotiveerd waarom NLG 100.000,-- bruto níet passend en NLG 54.000,-- netto wél passend is. De Hoge Raad verwijst de zaak naar het hof. Het hof is van oordeel dat de werkgever het recht heeft de werkneemster duidelijk te maken dat hij niet wenst dat cliënten zich beklagen over de werkneemster en de werkneemster te waarschuwen voor de gevolgen in geval van herhaling. In dit geval heeft de werkgever wel erg snel geconcludeerd dat samenwerking niet meer mogelijk was, gezien het langdurige dienstverband waarin de werkneemster altijd goed heeft gefunctioneerd. Het had op de weg van de werkgever gelegen te zoeken naar een andere oplossing dan ontslag. Gezien de financiële gevolgen van het ontslag (het verrichten van huishoudelijk werk voor gezinnen is een geheel andere werksituatie zonder sociale voorzieningen en bovendien zal de rechtspositie van de werkneemster in een nieuwe functie van gezinsverzorgster niet gelijk zijn aan die van een langdurig dienstverband bij deze werkgever) is het hof van oordeel dat het ontslag kennelijk onredelijk is, waarvoor een vergoeding van NLG 50.000,-- bruto redelijk is. Het hof vernietigt het vonnis van de kantonrechter.

Terug naar overzicht