Hoge Raad 01-10-1999 Lavos/Alifriqui, JAR 1999, 235, NJ 1999, 738


Buitenlandse werknemer (geen verblijfsvergunning). Loon. Ontbinding gewichtige redenen.

Zie voor de complete uitspraak JAR 1999, 235.

Een buitenlandse werknemer, drie jaar in dienst van een schoonmaakbedrijf en tewerkgesteld op de luchthaven Schiphol, krijgt geen toegangspas omdat hij niet meer over een geldige verblijfsvergunning beschikt. De kantonrechter veroordeelt de werkgever bij wege van voorlopige voorziening tot doorbetaling van loon. De werkgever voldoet aan het vonnis en verzoekt ontbinding van de arbeidsovereenkomst. De kantonrechter ontbindt de arbeidsovereenkomst zonder vergoeding. De werknemer vordert thans betaling van loon tot aan de ontslagdatum en de werkgever vordert in reconventie terugbetaling van het onverschuldigd betaalde loon. De kantonrechter wijst de vordering van de werknemer af en die van de werkgever toe. De rechtbank daarentegen wijst de vordering van de werkgever af en die van de werknemer toe. In hoger beroep heeft de werknemer namelijk gesteld dat er ander passend werk voorhanden was. Hij kon ruilen met een collega die niet op de luchthaven werkzaam was en hij had zich daartoe bereid verklaard. De Hoge Raad acht het oordeel van de rechtbank niet onbegrijpelijk omdat de werkgever immers zelf heeft aangegeven dat zijn bedrijf zich vrijwel uitsluitend bezig hield met het schoonmaken van vliegtuigen. Dit impliceert dat de werkgever wel enige werkzaamheden buiten Schiphol verrichtte. De Hoge Raad acht het oordeel van de rechtbank ook niet onbegrijpelijk omdat het niet in overeenstemming zou zijn met het oordeel van de kantonrechter in de ontbindingsprocedure. De kantonrechter stelde vast dat de werkgever een schoonmaakbedrijf exploiteert dat uitsluitend werkzaamheden op Schiphol verricht. Deze vaststelling is door de rechtbank overgenomen. Volgens de Hoge Raad heeft de rechtbank kennelijk geoordeeld dat de stelling van de werknemer dat hij kon ruilen met een collega op een project buiten Schiphol, de vaststelling van de kantonrechter bestreed. Omdat de aard van de ontbindingsprocedure ex art. 1639 BW (oud) zich er niet tegen verzet dat in een volgende procedure geen bindende kracht toekomt aan een op voet van die bepaling gegeven beslissing, stond het de rechtbank vrij te oordelen zoals hij heeft gedaan. De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Verder lezen
Terug naar overzicht