Hoge Raad 01-12-2000 (X/Fugro), JOL 2000, 607


Detachering in het buitenland. Gezagsverhouding. Kennelijk onredelijk ontslag. Schadeloosstelling. Smartengeld.

Een werknemer treedt in 1985 in dienst bij een werkgever (A). In 1991 treedt de werknemer in dienst bij een zusteronderneming (B) en wordt gedetacheerd in het buitenland. Medio 1995 doet A een voorstel om na beëindiging van de arbeidsovereenkomst met B weer bij A in dienst te treden met een bruto salaris van NLG 5.118,-- per maand. De werknemer zegt zijn arbeidsovereenkomst met B op per 1 augustus 1995 en A trekt het aanbod in. De werknemer stelt zich op het standpunt dat de oorspronkelijke arbeidsovereenkomst met A na 1991 is blijven voortbestaan en subsidiair dat medio 1995 een nieuwe arbeidsovereenkomst met A is overeengekomen. Hij vordert toelating tot zijn werkzaamheden en doorbetaling van loon. De kantonrechter veroordeelt A bij voorlopige voorziening tot doorbetaling van loon. Vervolgens ontbindt de kantonrechter op verzoek van A de arbeidsovereenkomst met een vergoeding van NLG 55.000,-- bruto. De werknemer gaat in beroep en vordert op grond van kennelijk onredelijk ontslag schadevergoeding van NLG 180.000,-- en smartengeld van NLG 50.000,--. Subsidiair vordert de werknemer doorbetaling van loon. De rechtbank wijst de schadevergoeding wegens kennelijk onredelijk ontslag af op grond van verjaring, evenals de andere vorderingen en vernietigt het vonnis van de kantonrechter. De werknemer gaat in cassatie. Het OM is met de rechtbank van oordeel dat er geen sprake is van een slapende voortzetting van de arbeidsovereenkomst met A. Uit de brief van B blijkt ondubbelzinnig dat de werknemer sinds 1991 daar in dienst is en dat de arbeidsovereenkomst alleen voor zover het de sociale verzekeringen en de pensioenvoorziening betreft moet worden gezien als een voortzetting van de voorafgaande arbeidsovereenkomst. Dat beide vennootschappen behoren tot een samenhangend geheel wil niet zeggen dat de ene vennootschap verantwoordelijk is voor het handelen en voor de schulden van de andere vennootschap en dat die vennootschappen ten aanzien van het werkgeverschap met elkaar vereenzelvigd kunnen worden. Ook is er geen nieuwe arbeidsovereenkomst tot stand gekomen omdat het niet ging om een onherroepelijk aanbod en bovendien is niet gebleken van een onvoorwaardelijke aanvaarding nu de werknemer het geboden salaris veel te laag vond. De Hoge Raad volgt de conclusie van het OM en verwerpt het beroep.

Terug naar overzicht