Hoge Raad 02-02-2001 (X/Gore), JOL 2001, 90


Concurrentiebeding.

In een concurrentiebeding is opgenomen dat de werknemer voor de duur van het concurrentiebeding een vergoeding van de werkgever ontvangt. Wanneer de werkgever zich beroept op overtreding van het concurrentiebeding en betaling van de (periodieke) vergoeding staakt, vordert de werknemer daarvan betaling. De kantonrechter wijst de vordering toe, omdat het concurrentiebeding niet overtreden zou zijn. De rechtbank in hoger beroep wijst de vordering af omdat de kantonrechter het beding te beperkt heeft uitgelegd. Het was de werknemer niet slechts verboden exact dezelfde producten te verhandelen als de werkgever op de markt bracht, maar ook verboden producten te verhandelen die concurrerend waren met de producten van de werkgever die ten tijde van het einde van het dienstverband op de markt waren. Conform de conclusie van het OM verwerpt de Hoge Raad het cassatieberoep met toepassing van art. 101a RO. In de conclusie OM was gesteld dat de vraag wat onder concurrerend moet worden verstaan een kwestie is van uitleg van de overeenkomst met toepassing van het Haviltex-criterium. Ook het beroep van de werknemer dat het verval van de aanspraak op de vergoeding in strijd zou zijn met de redelijkheid en billijkheid wordt verworpen, omdat de werknemer door te gaan concurreren zelf het risico heeft genomen dat de werkgever op deze bepaling een beroep zou doen

Verder lezen
Terug naar overzicht