Hoge Raad 02-03-2001 (Hotel New York/HB FNV), JOL 2001, 163, JAR 2001, 58


CAO. Loon (fooien).

Zie voor de complete uitspraak JAR 2001, 58.

(Cassatie van Rechtbank Rotterdam 18-02-1999, JAR 1999, 72, Rechtspraakoverzicht Arbeidsrecht 1999, blz. 69). Een horecabedrijf, dat is gebonden aan de Horeca CAO, is met werknemers een salaris overeengekomen waarin fooien begrepen zijn. Op het uit te betalen uurloon wordt een vast bedrag (in hoogte afhankelijk van de functie) in mindering gebracht, welk bedrag als gemiddelde fooi moet gelden. De werknemer mag de feitelijk ontvangen fooien, die per gewerkt uur over het algemeen meer bedragen dan deze gemiddelde fooi, behouden. Ontvangt de werknemer minder fooi dan het vaste bedrag per uur, dan wordt het ontbrekende deel door de werkgever, op verzoek van de werknemer en onder bepaalde voorwaarden, aangevuld. Volgens de werkgever gaat het derhalve om een gegarandeerde fooi. De Vakvereniging heeft gevorderd dat het de werkgever niet was toegestaan door zijn werknemers ontvangen fooien op het salaris in mindering te brengen en evenmin om een bepaling met die strekking in de arbeidsovereenkomst op te nemen. De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep tegen het vonnis van de rechtbank met toepassing van art. 101a RO. Uit de conclusie van de plv. P-G: Volgens de rechtbank is de kern van de zaak dat aangenomen moet worden dat wanneer in de CAO sprake is van loon, de CAO het oog heeft op het door de werkgever aan de werknemer te betalen brutoloon. Het effect van het beding is volgens de rechtbank dat de werknemer een deel van het loon waarop hij recht heeft in feite zelf dient te betalen uit de fooien die hij van derden heeft ontvangen en hem toebehoren. Het cassatiemiddel stelt dat er geen reden is om aan te nemen dat de CAO gegarandeerde bedragen aan fooien uitsluit. De plv. P-G merkt allereerst op dat de nadruk die het middel legt op de garantie van de geschatte inkomsten uit fooien misplaatst voorkomt. Indien een werknemer minder fooien ontvangt dan het geschatte bedrag, kan hij de werkgever om suppletievragen, maar hij moet dan aantonen dat het ontvangen bedrag lager was dan het geschatte. Dit is ten eerste geen gemakkelijke, maar bovendien ook geen plezierige bewijslast. In beginsel zijn de fooien immers een bewijs van erkentelijkheid door de klanten voor de verleende service. De werknemer die tegenover zijn werkgever aanvoert dat hij "te weinig" fooi ontvangt, stelt zich daarmee bij voorbaat bloot aan verwijten dat hij te weinig service biedt en dus zijn taak slecht vervult. Onder loon moet worden verstaan de vergoeding die door de werkgever aan de werknemer verschuldigd is ter zake van de bedongen arbeid. Daaronder vallen (in beginsel) geen fooien die de werknemer van…

Terug naar overzicht