Hoge Raad 02-11-2001 (Elverding/Wienholts), RvdW 2001, 172, JOL 2001, 602, JAR 2001, 255, NJ 2001, 676


Hoger beroep ontbinding gewichtige redenen. (ontbinding gewichtige redenen verzoek werknemer). Schadeloosstelling. Goed werkgeverschap. Ziekte. Smarten- geld.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2001, 255.

Een werkneemster met een dienstverband van 22 jaar krijgt na hersteld te zijn verklaard een lagere functie aangeboden omdat haar eigen functie is opgeheven. Als zij weer arbeidsongeschikt wordt en terugkeer volgens de verzekeringsgeneeskundige niet mogelijk is, verzoekt de werkneemster ontbinding van de arbeidsovereenkomst met een vergoeding van NLG 100.000,-- en smartengeld van NLG 25.000,--. De kantonrechter ontbindt de arbeidsovereenkomst zonder vergoeding. De werkneemster trekt het verzoek niet in maar vordert op grond van wanprestatie dezelfde vergoedingen als in de ontbindingsprocedure. De werkgever stelt dat de werkneemster niet ontvankelijk is doch de kantonrechter verwerpt deze stelling en wijst de vordering af. De rechtbank (Arnhem 11-11-1999, Prg. 2000, 5381, Rechtspraakoverzicht Arbeidsrecht 2000, blz. 175) wijst de vorderingen toe. De werkgever gaat in cassatie. De Hoge Raad overweegt dat gezien de bijzondere aard van de wettelijke regeling betreffende de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het resultaat van de rechterlijke toetsing in beginsel ten volle (onder weging van alle relevante factoren) tot uitdrukking dient te komen in de hoogte van de vergoeding die de rechter op grond van art. 7:685 BW naar billijkheid toekent, zodat daarnaast voor zodanige toetsing geen plaats is (zie HR 24-10-1997, Baijings/Sara Lee, NJ 1998, 257, RvdW 1997, 207, JAR 1997, 248, Rechtspraakoverzicht Arbeidsrecht 1997, blz. 163 en HR 15-12-2000, Intramco/Grotenhuis, NJ 2001, 251, RvdW 2001, 2, JOL 2000, 634, JAR 2001, 14). Na afwijzing van de vergoeding in de ontbindingsprocedure was er dus geen plaats meer voor een nieuwe beoordeling door de rechter, omdat de opnieuw ingestelde schadevergoedingsvordering op dezelfde grondslag berustte. Dit zou ook in strijd zijn met het rechtsmiddelenverbod ex art. 7:685 lid 11 BW. Niet gezegd kan worden dat de werkneemster niet anders kon dan het ontbindingsverzoek handhaven. Zij had het verzoek kunnen intrekken en op een andere wijze de arbeidsovereenkomst kunnen beëindigen en in een afzonderlijke procedure een schadevergoeding kunnen vorderen. De Hoge Raad vernietigt het vonnis van de rechtbank en van de kantonrechter en verklaart de werkneemster alsnog niet-ontvankelijk in haar vordering

Terug naar overzicht