Hoge Raad 02-11-2001 (OBZ/X), JOL 2001, 601


Concurrentiebeding (Haviltex-criterium).

De arbeidsovereenkomst van een octrooigemachtigde wordt ontbonden. De werknemer vordert op verkorte termijn dat het concurrentiebeding teniet wordt gedaan resp. een vergoeding van NLG 200.000,-- per jaar. De werkgever vordert in reconventie naleving van het concurrentiebeding en veroordeling tot betaling van NLG 195.000,-- aan boetes wegens overtreding van het concurrentiebeding. De laatste vordering wordt afgewezen, ook door de rechtbank. De werkgever gaat in cassatie. Het middel richt zich op het motiveringsgebrek van het oordeel van de rechtbank dat de tekst van het concurrentiebeding beperkt uitgelegd dient te worden. Het OM is van oordeel dat de rechtbank zijn keuze voor het standpunt van de werknemer niet behoefde te motiveren omdat de keuze zelf al duidelijk maakte welke argumenten de rechter het meest overtuigend vond. Bovendien is het uitzondering dat de motivering van een beslissing over de uitleg van een contractsbepaling als onvoldoende begrijpelijk wordt beoordeeld, wanneer daarin niet wordt ingegaan op argumenten die voor een andere uitleg pleiten. Kiezen voor het een zonder expliciet aan te geven waarom niet gekozen wordt voor het ander is niet genoeg om die uitzondering te verwezenlijken. Overigens is het uitgangspunt van het middel dat voor de uitleg van een concurrentiebeding in de verhouding tussen werkgever en werknemer bepalend is, de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de betreffende bepaling mochten toekennen en wat zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (het zogenaamde Haviltex-criterium HR 13-03-1981, NJ 1981, 635) niet onomstreden in de literatuur noch in de lagere rechtspraak. Het OM concludeert tot verwerping van het beroep en de Hoge Raad volgt deze conclusie zonder nadere motivering op grond van art. 101a RO

Verder lezen
Terug naar overzicht