Hoge Raad 02-11-2001 (Truyman/Hogeschool), JAR 2001, 239, RvdW 2001, 173, JOL 2001, 604, NJ 2001, 668


Loon. Verrekening (in verband met nevenwerkzaamheden op grond van RpbO). Onderwijs.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2001, 239.

Op de arbeidsovereenkomst tussen de Hogeschool en de voorzitter van College van Bestuur is het Rechtspositiebesluit Onderwijspersoneel (RpbO) van toepassing dat onder meer bepaalt - kort gezegd - dat geldelijke vergoedingen voor nevenwerkzaamheden, verricht gedurende werktijd, moeten worden afgedragen. In het kader van een beëindigingsovereen- komst is tussen partijen afgesproken dat de werknemer gedurende een zekere tijd een adviseurfunctie zou bekleden en overigens van de verplichting werkzaamheden te verrichten werd vrijgesteld, een en ander met doorbetaling van salaris en emolumenten. Gedurende (een gedeelte van) deze periode heeft de werknemer een betaalde baan van 4/5 werkweek vervuld bij het ZUW. De Hogeschool vordert in deze procedure afdracht van het salaris dat de werknemer bij ZUW heeft genoten. De kantonrechter en rechtbank wijzen de vordering toe. De werknemer vordert in cassatie bracht vernietiging van het vonnis van de rechtbank. De Hoge Raad overweegt dat de hiervoor vermelde beëindigingsovereenkomst geen wijziging bracht in de tussen partijen bestaande en tot 1 januari 1994 doorlopende arbeidsovereenkomst wat betreft de bedongen werktijd, dat wil zeggen de voor de (oorspronkelijk) bedongen werkzaamheden beschikbare tijd of, nog weer anders gezegd, de tijd waarvoor de Hogeschool de werknemer nog steeds betaalde, waaraan niet kan afdoen dat die bedongen werkzaamheden in dit geval tot de datum van het ontslag niet daadwerkelijk behoefden te worden verricht. Nu de beëindigingsovereenkomst evenmin voorzag in een uitdrukkelijke afwijking op dit punt bleef het hiervoor weergegeven artikel van het RpbO dan ook onverminderd van toepassing

Verder lezen
Terug naar overzicht