Hoge Raad 04-05-2001 (Bloemsma/Hattuma), JOL 2001, 304, NJ 2001, 377, JAR 2001, 96


Bedrijfsongeval. Bewijs.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2001, 96.

Een leerling-scheepsbouwer is tijdens het werk met zijn rug tegen de rand van een boot gevallen en heeft zich enige tijd later ziek gemeld. Hij vordert van zijn (ex)werkgever op grond van art. 7:658 BW schadevergoeding ontstaan door het ongeval. De rechtbank oordeelt in hoger beroep dat de kantonrechter de werknemer terecht heeft belast met het bewijs dat de boot kantelde waardoor hij tegen de rand ervan is gevallen. Daartegen heeft de werknemer het cassatiemiddel gericht. Voorts betoogt de werknemer in cassatie dat de werkgever met het in art. 7:658 lid 2 BW bedoelde bewijs had moeten worden belast nu vaststaat dat hij tijdens zijn werk is gevallen. De Hoge Raad stelt de volgende regel voorop: de werknemer die op grond van art. 7:658 lid 2 BW schadevergoeding vordert, zal dienen te stellen en zo nodig bewijzen dat hij schade heeft geleden in de uitoefening van zijn werkzaamheden voor de werkgever (HR 15-12-2000, Van Uitert/Jalas, JAR 2001, 13). Daarbij geldt dat niet van de werknemer kan worden verlangd dat hij ook aantoont hoe het ongeval zich heeft toegedragen of wat de oorzaak ervan is. De rechtbank is aldus van een onjuiste rechtsopvatting uitgegaan. Voor zover de klachten betogen dat de rechtbank heeft miskend dat de werkgever met het in art. 7:658 lid 2 bedoelde bewijs had moeten worden belast nu vaststaat dat de werknemer tijdens zijn werk is gevallen, falen zij evenzeer, aangezien een dergelijke bewijsopdracht pas aan de orde kan komen indien vaststaat dat de werknemer schade heeft geleden in de uitoefening van zijn werkzaamheden en daaromtrent door de rechtbank niets is vastgesteld

Terug naar overzicht