Hoge Raad 05-01-2001 (Potters/NN), RvdW 2001, 24, JOL 2001, 14


Pensioen (keuringsverbod ex art. 4 lid 3 Wet op de medische keuringen).

Op grond van een collectieve pensioenverzekering dienen werknemers medisch gekeurd te worden. Een werknemer die akkoord is gegaan met deze voorwaarde weigert de keuring met een beroep op art. 4 lid 3 Wet medische keuringen (WMK: keuringsverbod voor deelname aan een pensioenvoorziening). De verzekeringsmaatschappij vordert een verklaring voor recht dat de werknemer gehouden is medisch gekeurd te worden. De rechtbank vraagt zich af of het keuringsverbod onmiddellijke werking heeft en geldt ingeval deelname aan een pensioenvoorziening na inwerkingtreding van de WMK op basis van een collectieve overeenkomst die voor inwerkingtreding van de WMK is gesloten en waarin in een medische keuring is voorzien. Volgens de rechtbank geldt het keuringsverbod niet. De Hoge Raad is van oordeel dat de WMK bij gebreke van overgangsrecht onmiddellijke werking heeft en het keuringsverbod ook in dit geval geldt. Het oordeel van de rechtbank dat art. 4 lid 3 WMK desondanks eerbiedigende werking heeft, wordt door de Hoge Raad onder verwijzing naar de parlementaire geschiedenis verworpen. De Hoge Raad vernietigt het vonnis van de rechtbank en wijst de vordering van de verzekeringsmaatschappij af

Terug naar overzicht