Hoge Raad 05-01-2001 (X/ISS), JOL 2001, 5


Loon. Ziekte. CAO.

Een werknemer in dienst bij een schoonmaakbedrijf wordt ziek en één jaar later volledig arbeidsongeschikt verklaard. De werknemer, die niets van zich heeft laten horen, vordert ongeveer 20 maanden na ziekmelding suppletie van de Ziektewet respectievelijk WAO-uitkering. Op grond van de CAO is de werkgever verplicht deze gedurende twee jaar aan te vullen. De kantonrechter wijst de vordering af evenals de rechtbank, die van oordeel is dat de werknemer de werkgever in redelijkheid niet aan zijn suppletieverplichting kan houden. Voor analoge toepassing van de WULBZ is geen reden. Bovendien heeft de werknemer het belang van de werkgever bij controle op al dan niet oneigenlijk gebruik van de suppletieverplichting, volledig genegeerd. Het OM concludeert in cassatie dat het hier niet gaat om de uitleg van de betreffende CAO-bepaling, omdat over de inhoud geen verschil van mening bestaat. Het gaat hier om de vraag of de CAO-bepaling buiten toepassing kan worden gelaten, indien de toepassing onder deze omstandigheden in strijd met de redelijkheid en billijkheid zou zijn. Het OM ziet niet in waarom dit niet zou gelden voor een CAO-bepaling, omdat alle tussen partijen geldende regels aan art. 6:248 lid 2 BW zijn onderworpen. De rechtbank getuigt niet van een onjuist inzicht door te oordelen dat de bepaling buiten toepassing dient te blijven. De Hoge Raad volgt de conclusie van het OM en verwerpt het beroep zonder nadere motivering

Verder lezen
Terug naar overzicht