Hoge Raad 05-02-1999 Ameva/Van Venrooij, RvdW 1999, 27, NJ 1999, 652


Wederzijds goedvinden. Ontbinding gewichtige redenen.

Een werknemer (drie jaar in dienst, salaris NLG 4.150,-- bruto per maand) tekent een verklaring waarin hij akkoord gaat met beëindiging van zijn dienstverband. Als de werknemer enige dagen laten protesteert, verzoekt de werkgever ontbinding van de arbeidsovereenkomst. De kantonrechter ontbindt de arbeidsovereenkomst voor zover vereist met een vergoeding van NLG 12.500,--. De werknemer vordert vervolgens doorbetaling van loon tot aan de ontbindingsdatum. De kantonrechter wijst de vordering toe, stellende dat de werkgever de werknemer de verklaring niet ter plekke had mogen laten ondertekenen. De rechtbank is daarentegen van oordeel dat de ondertekening een ondubbelzinnige handeling was, waaruit instemming met beëindiging van de arbeidsovereenkomst bleek. De rechtbank stelt dat er in dit geval echter sprake was van misbruik van omstandigheden en dat de werknemer zich op vernietigbaarheid van zijn rechtshandeling kan beroepen. De rechtbank bekrachtigt het vonnis. De Hoge Raad overweegt dat van een zodanig misbruik sprake zal zijn indien de werkgever wist of had moeten begrijpen dat de werknemer door bijzondere omstandigheden werd bewogen tot instemming en dat hij die instemming bevorderde in plaats van dat hij de werknemer daarvan weerhield. Als bijzondere omstandigheden oordeelde de rechtbank ondermeer het feit dat de werknemer niet een ervaren onderhandelaar was en ook niet deskundig was met betrekking tot beëindiging van een dienstverband. Ook het feit dat de ongelijkwaardige positie van partijen ertoe heeft geleid dat de werknemer een voor hem nadelige beslissing heeft genomen, die hij bij een deugdelijke voorbereiding niet zou hebben genomen, is een bijzondere omstandigheid die leidt tot het oordeel dat er sprake is van misbruik van omstandigheden. Dit oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Door subsidiair te vorderen dat de verklaring vernietigd wordt op grond van misbruik van omstandigheden, heeft de werknemer in overeenstemming met art. 3:51 lid 1 BW een beroep in rechte op deze vernietigingsgrond gedaan. Het vonnis van de rechtbank houdt een aanvaarding van dit beroep in. De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Terug naar overzicht