Hoge Raad 05-10-2001 (ICM/Huis), RvdW 2001, 150, JOL 2001, 516, JAR 2001, 216, NJ 2001, 633


Ontslag op staande voet (ongeoorloofd verzuim). Ziekte. Loon. Bewijs.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2001, 216.

Een werknemer die eind maart met de noorderzon is vertrokken, wordt in juni op staande voet ontslagen wegens ongeoorloofde afwezigheid. Ruim een half jaar later, na terugkeer uit het buitenland en herstel van een hartinfarct, vordert de werknemer een verklaring voor recht dat het ontslag nietig is en doorbetaling van loon. Volgens de werknemer moet hij vanaf zijn vertrek onafgebroken ziek zijn geweest. De kantonrechter gelast een voorlopig deskundigen onderzoek, op grond waarvan de werknemer gedurende zijn periode van afwezigheid arbeidsongeschikt wordt geacht. De kantonrechter draagt vervolgens de werkgever op te bewijzen dat de werknemer zich schuldig heeft gemaakt aan ongeoorloofd verzuim en dat hij arbeidsgeschikt was voor de bedongen werkzaamheden. Indien de werkgever niet in het bewijs slaagt, heeft de werknemer aanspraak op ziekengeld. De werkgever gaat in hoger beroep, doch de rechtbank bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter. De Hoge Raad overweegt dat de rechtbank met betrekking tot de loonvordering niet heeft geoordeeld dat op de werkgever de bewijslast rust dat de werknemer in de bewuste periode arbeidsgeschikt was. De rechtbank heeft op grond van het deskundigenrapport geoordeeld dat moet worden aangenomen dat de werknemer arbeidsongeschikt was behoudens tegenbewijs. Met betrekking tot de verklaring ex art. 7:629a BW (second opinion) is de Hoge Raad van oordeel dat zowel de kantonrechter als de rechtbank hebben overwogen dat van de werknemer in redelijkheid niet kan worden gevergd deze verklaring over te leggen. Volgens de Hoge Raad hebben zowel de rechtbank als de kantonrechter hun oordeel gemotiveerd door te wijzen op het tijdsverloop sinds de verdwijning en de aard van de ziekte (een psychische aandoening). Dit oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting gezien de ratio van art. 7:629a lid 1 BW (het voorkomen van onnodige belasting van de rechter door middel van advisering door deskundigen). Hieraan doet niet af dat een dergelijke verklaring van belang kan zijn met het oog op de bewijslevering met betrekking tot het bestaan van de ziekte. De Hoge Raad verwerpt het beroep

Verder lezen
Terug naar overzicht