Hoge Raad 05-10-2001 (X/Y), JOL 2001, 517


Aansprakelijkheid werkgever. Bewijs.

Een werknemer werkt gedurende 12 jaar als knecht op de boerderij van zijn werkgever. Tien jaar heeft hij bij zijn werkgever in huis gewoond en de laatste drie jaar was hij arbeidsongeschikt. De werknemer stelt door zijn werkgever ernstig geestelijk en lichamelijk te zijn mishandeld ten gevolge waarvan hij arbeidsongeschikt is geworden. Hij vordert op grond van onrechtmatige daad een schadevergoeding waaronder smartengeld en daarnaast loon omdat hij sinds hij in huis woonde 12 uur per dag gedurende zeven dagen per week heeft gewerkt en de WAO-uitkering door zijn werkgever is verduisterd. De werkgever ontkent de mishandelingen. De rechtbank overweegt dat in de strafzaak bewezen is dat de werkgever de werknemer heeft onderworpen aan mishandeling hoewel hij in hoger beroep is vrijgesproken van de zware mishandelingen. Daarmee staat volgens de rechtbank onrechtmatig handelen vast. Omdat de inkomenschade niet exact te bepalen is, verwijst de rechtbank deze door naar de schadestaatprocedure en vervolgens veroordeelt de rechtbank de werkgever tot betaling van NLG 15.000,-- smartengeld en NLG 51.000,-- achtergehouden WAO-uitkering. Het Hof verwerpt alle grieven met betrekking tot de mishandeling, het causale verband, de inkomstenderving en smartengeld. Het OM overweegt dat de werkgever terecht bezwaar heeft gemaakt tegen de toepassing van art. 188 Rv (dwingend bewijs) omdat bewezenverklaring in de ten laste gelegde zware mishandeling ontbreekt en de werkgever ten aanzien van dit feit geheel is vrijgesproken. Overigens is het Hof niet uitgegaan van het "dwingend bewijs". Het Hof heeft de overwegingen van de strafrechter slechts vermeld om aan te geven dat de werkgever aan de vrijspraak geen argument in zijn voordeel kan ontlenen. De klacht dat het Hof aan de getuigenverklaringen in de strafzaak geen aandacht heeft besteed, mist feitelijke grondslag. De rechter die over de feiten oordeelt is vrij in de selectie van bewijsmiddelen. De keuze behoeft hij niet te motiveren. Wel dient de bewijsbeslissing te worden gemotiveerd om inzicht te verschaffen in de daaraan ten grondslag liggende gedachtegang. Overigens gaat het volgens het OM niet om de vraag òf de werkgever de werknemer heeft mishandeld en bedreigd maar om de gevolgen die de gedragingen van de werkgever hebben gehad voor de werknemer. Noch het feitelijk oordeel van de rechter terzake noch de motivering geven blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het OM concludeert tot verwerping van het beroep en de Hoge Raad volgt deze conclusie zonder nadere motivering op grond van art. 101a RO

Terug naar overzicht