Hoge Raad 06-04-2001 (Harlaar/IFA), JOL 2001, 230, JAR 2001, 81


Ontbinding gewichtige redenen verzoek werknemer. Schadeloosstelling.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2001, 81.

Een werknemer heeft ontbinding van zijn arbeidsovereenkomst verzocht onder toekenning van een vergoeding. De kantonrechter heeft de arbeidsovereenkomst ontbonden en een vergoeding toegekend. De werkgever gaat in hoger beroep en voert aan dat het beginsel van hoor en wederhoor is geschonden. Na tussenbeschikking heeft de rechtbank bij eindbeschikking de beschikking van de kantonrechter (deels) vernietigd en een opnieuw rechtdoende een andere vergoeding opgelegd. De werknemer heeft tegen beide beschik- kingen cassatieberoep ingesteld. De werknemer klaagt onder meer over het oordeel van de rechtbank dat de kantonrechter ten onrechte - zonder de werkgever de gelegenheid te geven daarop te reageren - rekening heeft gehouden met een ter zitting overgelegd (nieuw) stuk. De Hoge Raad verwerpt het beroep tegen de tussenbeschikking met toepassing van art. 101a RO. In de conclusie OM was opgemerkt dat een aspect van het beginsel van hoor en wederhoor is het recht op tegenspraak. Procespartijen hebben er recht op dat de rechter hen in de gelegenheid stelt commentaar te leveren op hetgeen door hun wederpartij in de procedure naar voren wordt gebracht. De rechter behoort dan ook niet te beslissen aan de hand van stukken die de wederpartij van de partij die zich daarop beroept, niet kent of ten aanzien waarvan zij onvoldoende gelegenheid heeft gehad zich daarover uit te laten. Het cassatieberoep tegen de eindbeschikking is niet-ontvankelijk omdat het middel geen klachten bevat die grond kunnen opleveren voor doorbreking van het rechtsmiddelenverbod. (Zie daarover de conclusie A-G onder 2)

Terug naar overzicht