Hoge Raad 06-10-2000 (KGS/Hoebbel), NJ 2001, 186, JOL 2000, 467


Ontslag op staande voet. Wettelijke verhoging. Onkostenvergoeding.

Een werknemer vordert een verklaring voor recht dat zijn ontslag nietig is en doorbetaling van loon vermeerderd met de wettelijke rente. Na tussenvonnis vermeerdert de werknemer zijn vordering met een bedrag van DM 8.251,97 aan onkosten. De kantonrechter wijst de loonvordering toe evenals de vordering terzake van de onkosten "als niet bestreden". Tegen de laatste toewijzing gaat de werkgever in hoger beroep. Hij betwist de vordering en stelt dat de werknemer heeft verzuimd stukken ter onderbouwing van de vordering te overleggen. De werknemer legt vervolgens een specificatie van zijn kosten over bij memorie van antwoord, tevens incidentele memorie van grieven, houdende vermeerdering van eis. De werkgever neemt vervolgens een akte die echter alleen betrekking heeft op de vermeerderde eis in hoger beroep (de wettelijke verhoging). De rechtbank passeert het verweer van de werkgever als onvoldoende gemotiveerd. De Hoge Raad stelt dat van de werkgever in het principale hoger beroep niet kan worden verlangd dat hij bij zijn memorie van antwoord in het incidentele hoger beroep op stellingen in de memorie van antwoord in het principale hoger beroep reageert. (Zie HR 23-10-1998, NJ 1999, 114). De Hoge Raad is van oordeel dat de werkgever niet de gelegenheid heeft gehad inhoudelijk op de stellingen in de memorie van antwoord betreffende dit onderdeel van de vordering in te gaan. De Hoge Raad vernietigt het vonnis en verwijst de zaak naar het Hof

Terug naar overzicht