Hoge Raad 07-09-2001 (Staat/Middel), JAR 2001, 188, JOL 2001, 457, NJ 2001, 616


Kennelijk onredelijk ontslag. Bewijs (informatieplicht werkgever).

Zie voor de complete uitspraak JAR 2001, 188.

Een tandarts wordt door zijn werkgever ontslagen op de grond dat zijn werk kwalitatief onvoldoende is. De werkgever doet hiervoor een beroep op de resultaten van een onderzoek dat naar de tandheelkundige werkzaamheden van de werknemer is ingesteld. De werkgever heeft - met een beroep op een privacyreglement - geweigerd de tandarts inzage te verschaffen in de onderzoeksgegevens. De tandarts vordert in deze procedure schadevergoeding uit hoofde van kennelijk onredelijk ontslag. De Rechtbank heeft - anders dan de Kantonrechter - het ontslag kennelijk onredelijk geoordeeld. Zij heeft daartoe onder meer overwogen dat indien de werkgever als grond voor een ontslag aanvoert dat het door de werknemer geleverde werk onder de maat is, de werkgever de feiten en omstandigheden waarop hij dit oordeel baseert zodanig aan de werknemer dient te presenteren, dat deze voldoende aanknopingspunten heeft om een en ander op juistheid te controleren dan wel te betwisten. De werknemer heeft - aldus de Rechtbank - terecht geklaagd over het onthouden van inzage in die stukken. De Hoge Raad overweegt het volgende. De ontslagen werknemer die zijn werkgever tot schadevergoeding aanspreekt op de grond dat laatstgenoemde de dienstbetrekking kennelijk onredelijk heeft doen eindigen, draagt in geval van tegenspraak de bewijslast van zijn stellingen. Deze regel van bewijslastverdeling geldt ook in het zich hier voordoende geval dat de grondslag van de vordering bestaat uit de stelling dat de opgegeven ontslagreden "vals" is, in de zin van niet bestaand. In dit laatste geval kan evenwel van de werkgever worden gevergd dat hij bij zijn betwisting van de stellingen van de werknemer voldoende feitelijke gegevens verstrekt ter staving van de opgegeven ontslagreden om de werknemer voor zijn bewijslevering aanknopingspunten te verschaffen (vgl. HR 25 april 1986, NJ 1986, 624, rov. 3.2). Laat de werkgever na voldoende aanknopingspunten als hiervoor bedoeld te verschaffen, dan staat het de rechter vrij daaraan de slotsom te verbinden dat de werkgever niet voldoende heeft weersproken dat het ontslag kennelijk onredelijk is, zodat (tegen)bewijs niet meer aan de orde komt en aanstonds van de onredelijkheid van het ontslag kan worden uitgegaan. De Hoge Raad verwerpt het beroep

Terug naar overzicht