Hoge Raad 09-11-2001 (Meuffels/Cala), RvdW 2001, 176, JOL 2001, 653, JAR 2001, 257


Bedrijfsongeval.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2001, 257.

Een werknemer raakt gewond als gevolg van een gasexplosie tijdens zijn werkzaamheden, die hij in opdracht van zijn werkgever verricht bij een ander bedrijf. Het werk was in onderaanneming door de werkgever aangenomen. De werknemer acht zijn werkgever aansprakelijk en vordert een schadevergoeding. De kantonrechter wijst tussenvonnis, doch de rechtbank vernietigt dit en wijst de vordering af. De werknemer gaat in cassatie. De Hoge Raad is van oordeel dat de rechtbank ten onrechte art. 1638x BW (oud) van toepassing heeft verklaard, omdat het per 1 april 1997 in werking getreden art. 7:658 BW onmiddellijke werking heeft (zie HR 10-12-1999, RvdW 1999, 199, JOL 1999, 177, NJ 2000, 211, Rechtspraakoverzicht Arbeidsrecht 1999, blz. 24). Omdat op grond van art. 7:658 BW de werkgever aansprakelijk is voor de door de werknemer geleden schade, dient de werkgever te bewijzen dat hij zijn zorgplicht is nagekomen en is de werknemer ten onrechte de bewijslast opgelegd. Overigens heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de werknemer de werkgever aansprakelijk kon houden indien het ongeval is te wijten aan schending van de zorgplicht door derden, die zijn te beschouwen als hulppersonen van de werkgever. Niet gezegd kan worden dat de werkgever op grond van art. 7:658 BW aansprakelijk is voor de gevolgen van een bedrijfsongeval wanneer dit in geen enkel opzicht te wijten is aan het tekort schieten van deze hulppersonen, maar te wijten is aan het feit dat de in dienst van of ten behoeve van deze hulppersonen werkzame personen de veiligheidsvoorschriften niet hebben nageleefd (ondanks voldoende instructies en toezicht). De Hoge Raad vernietigt het vonnis van de rechtbank en verwijst de zaak naar het Hof

Verder lezen
Terug naar overzicht