Hoge Raad 09-11-2001 (Van Doesburg/Tan), RvdW 2001, 175, JOL 2001, 652, JAR 2001, 256


Bedrijfsongeval.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2001, 256.

Een apothekersassistentie overkomt zeven maanden na haar indiensttreding een bedrijfsongeval. Zij loopt tegen een openstaande (door een collega vergrendelde) ladekast en komt zodanig ten val dat zij ernstig letsel oploopt. Zij stelt haar werkgever aansprakelijk en vordert een schadevergoeding en smartengeld. De rechtbank wijst de vordering toe doch het Hof vernietigt het vonnis voor zover het de wettelijke rente betreft en bekrachtigt voor het overige het vonnis. Het Hof is van oordeel dat de collega een onrechtmatige daad jegens de werkneemster heeft gepleegd, waarvoor de werkgever aansprakelijk is. Aangezien het zonder toezicht open laten staan van een lade niet ongebruikelijk was en de werkneemster hiervan op de hoogte was, is de schade mede het gevolg van haar onoplettendheid, waardoor de vergoedingsplicht van de werkgever ex art. 6:101 BW (eigen schuld benadeelde) met 50% wordt gereduceerd. De werkneemster gaat hiertegen in beroep. De Hoge Raad is van oordeel dat het Hof door de schadevergoeding met 50% te verminderen, heeft miskend dat in geval een werknemer letsel oploopt in het kader van zijn werkzaamheden, als gevolg van zowel een gevaarzettende handeling van een collega, waarvoor de werkgever op grond van art. 6:170 BW aansprakelijk is, als van de eigen schuld van de werknemer, de schade geheel voor rekening van de werkgever komt, tenzij er sprake is van opzet of bewuste roekeloosheid van de werknemer. Dat de werkneemster ten gevolge van een woordenwisseling sneller liep dan normaal, wil niet zeggen dat de schade het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid. De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof en bekrachtigt het vonnis van de rechtbank

Terug naar overzicht