Hoge Raad 10-11-2000 (Triple P/Tap), JAR 2000, 249, JOL 2000, 555


Proeftijd. Gefixeerde schadevergoeding. Goed werkgeverschap.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2000, 249.

(Zie voorgeschiedenis Rechtbank Utrecht 22-07-1998, JAR 1998, 194, Rechtspraakoverzicht Arbeidsrecht 1998, blz. 137). Een werknemer treedt twee maanden nadat hij ontslag heeft genomen (na een arbeidsovereenkomst van acht jaar) weer in dienst bij de werkgever voor de duur van een bepaald project in Engeland (zeven maanden, salaris NLG 6.500,-- bruto per maand, bonus van NLG 2.750,-- bruto per maand met een maximum van zes maanden). In de arbeidsovereenkomst is een proeftijd van twee maanden overeengekomen. Op de eerste werkdag wordt de werknemer tewerkgesteld op een project in België omdat het project in Engeland is uitgesteld. De werknemer gaat niet onmiddellijk akkoord. Drie weken later wordt hij na een tweede gesprek met onmiddellijke ingang ontslagen. De werknemer acht het ontslag onregelmatig en vordert primair de gefixeerde schadevergoeding ex art. 7:677 jo 7:680 BW (zijnde NLG 62.890,-- bruto). Subsidiair vordert de werknemer schadevergoeding wegens strijd met het goed werkgeverschap. De kantonrechter wijst de vordering af. De rechtbank wijst de subsidiaire vordering toe, overwegende dat onder bepaalde omstandigheden ontslag in de proeftijd in strijd is met het goed werkgeverschap. De werkgever had de werknemer een redelijke termijn moeten gunnen om het voorstel te kunnen overwegen. Bovendien had de werkgever de werknemer moeten waarschuwen voor de consequenties. In het cassatieberoep van de werkgever overweegt de Advocaat-Generaal dat de rechtbank wel degelijk bij de veroordeling tot schadevergoeding heeft bedoeld de vermogensschade en niet de naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding voor een ander nadeel dan vermogensschade. Kennelijk heeft de rechtbank geoordeeld dat het in de rede lag aansluiting te zoeken bij art. 7:677 jo 7:680 BW, omdat bij een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd een ontslag tijdens de proeftijd dat strijdig is met het goed werkgeverschap als het ware gelijk kan worden gesteld met een ontslag dat voortijdig is en uit dien hoofde onregelmatig is in de zin van art. 7:677 BW. Het feit dat de rechtbank de schadevergoeding redelijk en billijk achtte, kan niet leiden tot de slotsom dat de rechtbank daarbij het oog heeft gehad op andere schade dan vermogensschade. De Hoge Raad verwerpt het beroep op de gronden van de A-G.

Terug naar overzicht