Hoge Raad 10-12-1999 Fransen/Pasteurziekenhuis, RvdW 1999, 199


Bedrijfsongeval. Bewijs.

Een verpleegkundige komt tijdens de uitoefening van haar werkzaamheden in een ziekenhuis ten val als gevolg waarvan zij haar heup breekt. De werkneemster stelt te zijn uitgegleden over een injectienaald. Zij acht de werkgever aansprakelijk voor de schade en vordert een schadevergoeding. De kantonrechter is van oordeel dat de werkgever niet tekort is geschoten in zijn zorgplicht en wijst de vordering af. De rechtbank is van oordeel dat het causaal verband tussen de val van de werkneemster en het al dan niet voldoen aan de zorgplicht door de werkgever niet is komen vast te staan. De rechtbank komt dus niet toe aan de beoordeling van een eventuele schending van die zorgplicht. De Hoge Raad overweegt dat, als gevolg van inwerkingtreding van Titel 7.10 BW op 1 april 1997, de bewijslast van art. 1638x lid 2 BW (oud) is omgekeerd. De vraag of het ziekenhuis aansprakelijk is, moet thans worden beoordeeld aan de hand van het bepaalde in art. 7:658 BW, dat onmiddellijke werking heeft. Omdat de werkneemster schade heeft geleden in de uitoefening van haar werkzaamheden, brengt dit bepaalde mee dat anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, het ziekenhuis aansprakelijk is voor de door de werkneemster geleden schade, tenzij het aantoont aan zijn zorgplicht te hebben voldaan of dat de schade in belangrijke mate het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van de werkneemster. De oorzaak van het ongeval is in zoverre van belang, dat het ziekenhuis zou kunnen volstaan met aan te tonen hetzij te hebben voldaan aan alle verplichtingen die ingevolge art. 7:658 lid 1 BW op hem rust, teneinde een ongeval zoals werkneemster is overkomen, te voorkomen, hetzij dat nakoming van die verplichting het ongeval niet zou hebben kunnen voorkomen. De Hoge Raad vernietigt het vonnis en verwijst het geding naar het Hof.

Terug naar overzicht