Hoge Raad 11-02-2000 (Verhagen/Knappe), RvdW 2000, 58, JOL 2000, 103, NJ 2000, 293


Directeur. Pensioen.

Een directeur/aandeelhouder komt met een vennootschap overeen dat na zijn overlijden zijn weduwe een levenslang pensioen wordt uitgekeerd van NLG 20.650,-- per jaar. Dit pensioen wordt in eigen beheer gehouden. Ter beëindiging van het dienstverband komt de directeur vervolgens overeen dat NLG 400.000,-- ter zake van pensioen wordt afgestort bij een verzekering. Na het eindigen van de arbeidsovereenkomst, doch voordat afstorting plaatsvindt, overlijdt de directeur. Als de vennootschap laat weten dat van afstorting geen sprake is, vordert de weduwe als enige erfgename van de directeur, veroordeling tot afstorting, respectievelijk betaling van NLG 400.000,--. De rechtbank wijst de vordering af in tegenstelling tot het Hof, dat van oordeel is dat het feit dat de directeur niet meer heeft kunnen beschikken over de in het kader van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst toegezegde uitkering, er niet aan afdoet dat die aanspraak behoort tot het vermogen van de directeur, dat op zijn erfgename is overgegaan. Volgens de Hoge Raad is ter vervanging van de door de vennootschap aan de directeur toegezegde en in eigen beheer gehouden pensioenvoorziening een regeling overeengekomen op grond waarvan NLG 400.000,-- zou worden betaald aan een verzekeraar ter verwerving van een (nieuwe) aanspraak op pensioen. Het oordeel van het Hof dat de directeur en de vennootschap "kennelijk beoogd" hebben hem aanspraak op een uitkering van NLG 400.000,-- te geven, volgt zonder nadere motivering niet uit de tekst van het beding. Bovendien strookt de uitleg niet met dwingendrechtelijke bepalingen van de Pensioen- en Spaarfondsenwet omtrent het aanhouden en afkopen van een pensioenreserve. Ook valt niet te concluderen dat de directeur de vrijheid had het bedrag aan iets anders dan aan een pensioenvoorziening te besteden. De Hoge Raad vernietigt het arrest en verwijst het geding naar het Hof ter verdere behandeling.

Terug naar overzicht