Hoge Raad 11-05-2001 (B&E/X), JOL 2001, 310


Aansprakelijkheid werknemer. Bewijs.

De arbeidsovereenkomst van een niet-statutair directeur wordt na drie jaar ontbonden met een vergoeding. De werkgever vordert kort daarna een bedrag wegens verduistering in dienstbetrekking. De werknemer zou ten onrechte rekeningen voor werkzaamheden aan zijn woonhuis op naam van de werkgever hebben gezet onder vermelding van andere bouwprojecten. De werknemer beweert dat dit is gebeurd met instemming en op aanwijzing van de statutair directeur-grootaandeelhouder (DGA). De kantonrechter wijst de vordering af en de rechtbank bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter. De rechtbank is van oordeel dat gezien de ondertekening en het markeren van de betreffende facturen, de DGA op de hoogte was of geacht moet worden te zijn geweest van het feit dat de werknemer zijn woning verbouwde op kosten van de werkgever en dat de niet actief verboden boekingen moeten worden beschouwd als met goedkeuring van de DGA verricht. Daarom bestaat er geen reden tot terugbetaling. De stelling dat de werknemer heeft toegezegd het geld terug te betalen is onvoldoende geadstrueerd. Het OM acht het oordeel van de rechtbank niet onbegrijpelijk. Met betrekking tot de klacht over het voorbijgaan aan het bewijsaanbod: deze klacht voldoet niet aan de eisen van art. 407 lid 2 Rv, omdat zij in het geheel niet is geadstrueerd. Bovendien geeft het oordeel van de rechtbank dat het bewijsaanbod als onvoldoende concreet moet worden gepasseerd, geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Niet onbegrijpelijk is de overweging van de rechtbank dat wanneer een werkgever zijn werknemer verdenkt van verduistering, dat vanaf dat moment een verhoogde alertheid ontstaat en iedere factuur op zijn juistheid moet worden onderzocht. Ook heeft de rechtbank niet miskend dat de werknemer diende te bewijzen dat de bevoordeling rechtmatig was. Integendeel, de rechtbank heeft bewezen geoordeeld dat de werkgever in de bevoordeling heeft toegestemd en dat er daarom geen reden was voor terugbetaling door de werknemer. De Hoge Raad volgt het OM in zijn conclusie tot verwerping van het beroep, zonder nadere motivering op grond van art. 101a RO

Verder lezen
Terug naar overzicht