Hoge Raad 12-02-1999 S/E, RvdW 1999, 33, JAR 1999, 102, NJ 1999, 643


Ontslag op staande voet (mishandeling). Kennelijk onredelijk ontslag.

Zie voor de complete uitspraak JAR 1999, 102.

Een orthopedisch schoenmaker, 36 jaar oud, 15 jaar in dienst, salaris NLG 4.477,23 bruto per maand, wordt op staande voet ontslagen wegens mishandeling van de echtgenote en dochter van de directeur van de werkgever. De kantonrechter ontbindt de arbeidsovereenkomst voorwaardelijk zonder vergoeding. Vervolgens oordeelt de kantonrechter dat hoewel de mishandeling op zichzelf een dringende reden voor ontslag zou opleveren, er gezien de omstandigheden toch onvoldoende grond bestond voor het ontslag op staande voet, althans niet zonder dat dat ontslag gepaard zou zijn gegaan met een redelijke vergoeding. Op dezelfde gronden oordeelt de kantonrechter het ontslag kennelijk onredelijk bij gebreke van betaling van een redelijke vergoeding. Hij wijst een schadeloosstelling toe van NLG 14.506,23 bruto op grond van art. 1639o lid 4 BW (oud), uitbetaling van niet-genoten vakantiedagen en een schadevergoeding op grond van art. 1639s BW (oud) van NLG 50.000,--. De rechtbank is van oordeel dat het ontslag op staande voet terecht is gegeven doch dat het ontslag kennelijk onredelijk is gelet op de bijzondere omstandigheden van het geval. De rechtbank vernietigt het vonnis van de kantonrechter en wijst een schadevergoeding van NLG 25.000,-- toe. De Hoge Raad overweegt dat op grond van art. 1639o lid 1 BW (oud) de werkgever niet schadeplichtig is indien hij de dienstbetrekking doet eindigen om een dringende reden. Daarmee is moeilijk te rijmen dat een wegens dringende reden gegeven ontslag desondanks kennelijk onredelijk kan zijn en op die grond wel tot schadeplichtigheid kan leiden. Een dergelijk systeem past overigens ook niet in de wettelijke regeling van het einde van de arbeidsovereenkomst in het BW. De vraag of de gevolgen van een beëindigen van de dienstbetrekking voor de werknemer te ernstig zijn in vergelijking met het belang van de werkgever, dient te worden beantwoord in het kader van de vraag of er sprake is van een dringende reden. Indien daarvan sprake is, dan is er geen plaats meer voor het oordeel dat het ontslag niettemin kennelijk onredelijk is op grond van art. 1639s lid 2 onder ten tweede BW (oud). Bovendien laat een verplichting van de werkgever tot schadevergoeding op grond van kennelijk onredelijk ontslag zich niet verenigen met de schadeplichtigheid van de werknemer jegens de werkgever ingeval van een ontslag wegens een dringende reden. De rechtbank had bij de beoordeling van de vraag of er sprake was van een dringende reden de persoonlijke omstandigheden van de werknemer moeten afwegen tegen de aard en de ernst van de dringende reden. Door dit na te laten heeft de rechtbank hetzij blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, hetzij het oordeel dat er…

Terug naar overzicht