Hoge Raad 12-11-1999 B/P, RvdW 1999, JOL 1999, 131, JOL 1999, 131, JAR 1999, 274


Ontslag op staande voet. Gefixeerde schadevergoeding. Concurrentiebeding (geheimhoudingsbeding).

Zie voor de complete uitspraak JAR 1999, 274.

Een werkneemster met een arbeidsovereenkomst voor de duur van één jaar (salaris NLG 3.790,-- per maand) wordt voor het einde van het dienstverband op staande voet ontslagen. De werkneemster heeft zonder toestemming materiaal van haar werkgever, die cliënten voorbereidt op af te nemen psychologische tests, mee naar huis genomen en fotokopieën gemaakt van zijn gehele knowhow. De werkneemster roept de nietigheid in en vordert doorbetaling van loon. De werkgever vordert in reconventie de gefixeerde schadevergoeding ex art. 1639o lid 4 jo art. 1639r BW (oud) van NLG 1.895,-- en een boete van NLG 1.000,-- wegens overtreding van het geheimhoudingsbeding. De kantonrechter verklaart het ontslag nietig omdat de werkneemster een redelijke verklaring geeft voor het feit dat zij materiaal van de werkgever in huis had. De rechtbank vernietigt het vonnis van de kantonrechter en veroordeelt de werkneemster tot betaling van de gefixeerde schadevergoeding, juist omdat ze geen afdoende verklaring heeft voor het mee naar huis nemen van het materiaal, dat qua omvang en aard ongeveer de hele knowhow van de werkgever vormde. Daardoor is het vertrouwen in de werkneemster zodanig geschonden dat van de werkgever niet kan worden gevraagd de arbeidsovereenkomst voort te laten duren. De werkneemster gaat in cassatie. Volgens het OM klaagt het middel erover dat de rechtbank voorbij is gegaan aan de "harde vuistregels" van de Hoge Raad in zijn arresten van 7 oktober 1988 (NJ 1989, 258) en van 10 maart 1989 (NJ 1990, 185). Deze regels houden in dat als slechts een gedeelte komt vast te staan van een door de werkgever als dringende reden voor ontslag medegedeeld feitencomplex, het ontslag niettemin zou kunnen gelden als te zijn verleend om een dringende, onverwijld medegedeelde reden als a) dit gedeelte op zichzelf beschouwd kan worden als een dringende reden voor ontslag op staande voet, b) de werkgever heeft gesteld en ook aannemelijk is, dat hij de werknemer ook op staande voet zou hebben ontslagen indien hij daarvoor niet meer grond zou hebben gehad dan in rechte is komen vast te staan en c) dit voor de werknemer ook duidelijk moet zijn geweest. Het middel is tevergeefs nu de rechtbank heeft overwogen dat de handelwijze van de werkneemster een dringende reden voor ontslag oplevert omdat daardoor het vertrouwen in de werkneemster zodanig was geschonden dat van de werkgever redelijkerwijs niet gevergd kon worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. De rechtbank heeft daarbij de lezing van de werkgever dat de werkneemster een eigen bedrijf heeft willen beginnen voldoende aannemelijk geacht en meegewogen. Kennelijk heeft de rechtbank zonder meer geoordeeld dat de werkneemster ook zou zijn ontslagen indien…

Terug naar overzicht