Hoge Raad 13-07-2001 (Firma A/X), JOL 2001, 428


(Arubaanse zaak). Ontslag op staande voet (werkweigering). Kennelijk onredelijk ontslag.

Een metselaar, twee jaar in dienst, meldt zich na ruim twee weken ziek te zijn geweest, weer op het werk. Hij verricht echter geen werkzaamheden omdat hij wegens afwezigheid van de directeur weggestuurd wordt. Na zich drie keer tevergeefs te hebben gemeld, wordt de werknemer op staande voet ontslagen wegens werkweigering. De werknemer vordert schadevergoeding op grond van kennelijk onredelijk ontslag wegens opgave van een voorgewende respectievelijk valse reden. Daarnaast vordert de werknemer loon en een schadevergoeding waaronder smartengeld. De werkgever stelt dat de werknemer zelf ontslag heeft genomen. Het Gerecht in Eerste Aanleg (GEA) draagt de werknemer op de kennelijke onredelijkheid van het ontslag op staande voet te bewijzen. Het GEA acht de werknemer niet geslaagd in het bewijs en wijst de vordering af, in tegenstelling tot het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba. De werkgever gaat vervolgens in cassatie, stellende dat het eigenlijk gaat om de vraag of de werknemer zonder nadere instructie zijn werkzaamheden had kunnen hervatten. Het OM is echter van oordeel dat het gaat om de vraag of de werknemer kennelijk onredelijk is ontslagen. Hierbij kan het antwoord op de voorliggende vraag van belang zijn, ware het niet dat de werknemer is weggestuurd en hem niet gezegd is dat hij zijn werkzaamheden moest hervatten. Met betrekking tot de klacht dat het Hof niet ambtshalve had mogen oordelen dat de werkgever meer bewijs voor zijn stellingen had moeten bijbrengen, stelt het OM dat het Hof dit geheel niet heeft overwogen doch wel dat de werkgever te weinig heeft gesteld. Het oordeel dat de werkgever uit de woorden van de werknemer, geuit in een conflictsituatie en gevolgd door een weigering voor het ontslag te tekenen, in redelijkheid niet mocht afleiden dat het de bedoeling van de werknemer was vrijwillig ontslag te nemen, acht het OM voldoende gemotiveerd. De Hoge Raad volgt de conclusie van het OM en verwerpt het beroep met toepassing van art. 101a RO

Terug naar overzicht