Hoge Raad 13-07-2001 (Keijzer/FVC), JOL 2001, 446, JAR 2001, 157, NJ 2001, 505


Wederzijds goedvinden. Bewijs.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2001, 157.

Naar aanleiding van een plan om een eigen bedrijf te starten heeft de werknemer in de zomer van 1996 gesprekken met zijn werkgever gevoerd. Bij brief heeft de werkgever aan de werknemer bevestigd akkoord te gaan met het voorstel van de werknemer om hiermee per 1 oktober 1996 te starten. De werknemer heeft vervolgens ontkend de arbeidsovereenkomst per 1 oktober te hebben opgezegd en vordert loon. De rechtbank oordeelt in hoger beroep op grond van stukken en verklaringen van getuigen dat de werkgever had bewezen dat de werknemer de arbeidsovereenkomst vrijwillig - door een duidelijke en ondubbelzinnige verklaring - had beëindigd. Het cassatiemiddel betoogt dat van een dergelijke verklaring geen sprake kan zijn wanneer een schriftelijke opzegging of akkoordverklaring van de werknemer ontbreekt. De Hoge Raad overweegt dat de rechtbank door in een geval als het onderhavige niet een schriftelijke bevestiging van de werknemer te verlangen en de zaak met behulp van andere bewijsmiddelen aan voormelde maatstaf te toetsen, geen rechtsregel heeft geschonden en ook overigens een oordeel heeft gegeven, dat tegen de in het middel opgenomen klachten bestand is

Terug naar overzicht