Hoge Raad 14-01-2000 (Boonen/Quicken), RvdW 2000, 20, JOL 2000, 23, NJ 2000, 273, JAR 2000, 43


CAO. Overwerk.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2000, 43.

De kantonrechter ontbindt de arbeidsovereenkomst van een werknemer, 17 maanden in dienst van een cateringbedrijf, salaris NLG 6.300,-- bruto per maand op basis van een 38-urige werkweek. In de arbeidsovereenkomst is een bepaling opgenomen op grond waarvan overschrijding van de arbeidstijd niet als overwerk wordt aangemerkt, doch inherent aan de functie wordt geacht. De werknemer vordert desondanks na einde dienstverband betaling van 122,5 overuren die op grond van de CAO voor 150% vergoed zouden moeten worden. De werkgever stelt de werknemer een hoger salaris te hebben toegekend dan op grond van de CAO is voorgeschreven en dat daarom de individuele arbeidsovereenkomst heeft te gelden. Op grond daarvan worden uren boven de 38 uur niet als overuren aangemerkt. De rechtbank wijst de vordering af in tegenstelling tot de kantonrechter. De rechtbank overweegt dat als een hoger salaris voor de werknemer gunstiger is dan het CAO-salaris vermeerderd met de overwerkvergoeding, het is toegestaan ten voordele van de werknemer van de CAO af te wijken. Dit is in dit geval zo. De werknemer heeft gemiddeld 22,4 uur per maand overgewerkt en bij naleving van de CAO zou de werknemer een lager inkomen hebben genoten dan op grond van de arbeidsovereenkomst. De Hoge Raad stelt dat de rechtbank heeft miskend dat op grond van art. 12 WCAO elk beding dat strijdig is met de CAO, waaraan zowel de werknemer als de werkgever is gebonden, nietig is en dat in plaats van het beding de bepalingen van de CAO gelden. Ook indien een CAO een minimum-garantie met betrekking tot de arbeidsvoorwaarden bevat en afwijking ten gunste van de werknemer geldig is, dan had de rechtbank dienen te onderzoeken of hetgeen ten aanzien van het overwerk in de arbeidsovereenkomst is bepaald, gunstiger is dan hetgeen daarover in de CAO is bepaald. De rechtbank had het in de arbeidsovereenkomst bepaalde omtrent salaris en overwerk niet als één geheel mogen beschouwen. Door dit wel te doen heeft de rechtbank uit het oog verloren dat het van het aantal in feite gewerkte overuren afhangt of het in de CAO dan wel in de arbeidsovereenkomst bepaalde gunstiger is. Dit zou tot het rechtsonzekere resultaat kunnen leiden dat de betreffende bepaling in de arbeidsovereenkomst de ene maand wel, en de andere maand niet als geldig zou moeten worden aangemerkt. De Hoge Raad vernietigt het vonnis en verwijst de zaak naar het Hof.

Terug naar overzicht