Hoge Raad 15-12-2000 (Van Merksteijn/Öztürk), RvdW 2001, 9, JOL 2000, 643, NJ 2001, 252, JAR 2001, 23


Bedrijfsongeval. Bewijs.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2001, 23.

Een werknemer overkomt een bedrijfsongeval ten gevolge waarvan zijn hand verminkt raakt. De werknemer acht zijn werkgever hiervoor aansprakelijk en vordert een schadevergoeding. De kantonrechter acht de werknemer niet geslaagd in het bewijs en wijst de vordering af. De rechtbank overweegt dat de werkgever gezien het ontbreken van een ongevalsrapportage (als gevolg van te late melding aan de arbeidsinspectie) niet aan zijn stelplicht met betrekking tot zijn zorgplicht respectievelijk met betrekking tot de beweerde opzet of bewuste roekeloosheid heeft voldaan. De Hoge Raad overweegt dat er ter verlichting van de (ex art. 1638x BW (oud) op de werknemer rustende bewijslast strengere eisen werden gesteld aan de stelplicht van de werkgever, die ontkende te zijn tekortgeschoten in zijn zorgplicht (zie HR 01-07-1993, RvdW 1993, 153, JAR 1993, 194, NJ 1993, 687, Rechtspraakoverzicht Arbeidsrecht 1993, blz. 22). Op grond van die stelplicht diende de werkgever te zorgen voor een ongevalsrapportage, waaruit kon worden opgemaakt dat het ongeval niet het gevolg was van onvoldoende veiligheidsmaatregelen. Het ontbreken van een dergelijk rapport leidde echter niet zonder meer tot het oordeel dat de werkgever niet aan zijn stelplicht had voldaan. Nu de werkgever op grond van art. 7:658 BW dient te bewijzen dat hij aan zijn zorgplicht heeft voldaan, is voor het handhaven van de strenge eis met betrekking tot de stelplicht van de werkgever geen reden meer. De rechtbank heeft dit miskend. Ook het oordeel dat de werkgever niet aan zijn stelplicht heeft voldaan met betrekking tot het verweer dat het ongeval is te wijten aan opzet of bewuste roekeloosheid, geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting. De Hoge Raad vernietigt het vonnis en verwijst de zaak naar het Hof

Terug naar overzicht