Hoge Raad 15-12-2000 (Van Uitert/Jalas), RvdW 2001, 6, JOL 2000, 639, NJ 2001, 198, JAR 2001, 13


Bedrijfsongeval. Bewijs.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2001, 13.

Een werknemer verricht reparatiewerkzaamheden aan daken van gebouwen van een derde. Tijdens de werkzaamheden zakt de werknemer door een dak en raakt ernstig gewond. Hij vordert schadevergoeding van zijn werkgever. De kantonrechter wijst de vordering af. In hoger beroep overweegt de rechtbank dat allereerst onderzocht moet worden of werknemer zijn schade heeft geleden in de uitoefening van zijn werkzaamheden. De rechtbank laat de werknemer toe te bewijzen dat hij van zijn werkgever de opdracht heeft gekregen op het betreffende dak werkzaamheden te verrichten. Na getuigenverhoren heeft de rechtbank geoordeeld dat de werknemer niet is geslaagd in het hem opgedragen bewijs en heeft het vonnis van de kantonrechter bekrachtigd. In cassatie verwijt de werknemer de rechtbank een onjuiste rechtsopvatting omtrent de zinsnede "in de uitoefening van zijn werkzaamheden" uit art. 7:685 lid 2 BW. De Hoge Raad overweegt dat het vereiste dat de schade de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden is overkomen ruim moet worden uitgelegd. Het voorgedragen middel klaagt dan ook terecht dat de rechtbank een onjuiste maatstaf heeft aangelegd door voor de beantwoording van de vraag of de werknemer de schade heeft geleden in de uitoefening van zijn werkzaamheden, bepalend te achten of hij van de werkgever opdracht heeft gekregen op het betreffende dak werkzaamheden te verrichten, dan wel, bij gebreke van een expliciete opdracht, of hij redelijkerwijs mocht aannemen dat het werk dat hij aan dat dak uitvoerde, behoorde tot zijn werkzaamheden

Terug naar overzicht