Hoge Raad 16-04-1999 Habing/PRC, RvdW 1999, 69, JAR 1999, 103, NJ 1999, 548


Wederzijds goedvinden. Ontbinding wanprestatie. Aansprakelijkheid werknemer/werkgever.

Zie voor de complete uitspraak JAR 1999, 103.

Een werkgever komt met zijn werknemer, een organisatie-adviseur, vier jaar in dienst, overeen dat het dienstverband op korte termijn zal eindigen. De werknemer stelt dat afgesproken is in dienst te blijven tot 1 januari 1995 en dat hij vanaf 1 oktober 1994 geen werkzaamheden meer behoefde te verrichten. De werkgever stelt dat de werknemer zich bereid heeft verklaard een naderhand verstrekte opdracht tot 1 januari te zullen uitvoeren. Als de werknemer zijn dienstverband met onmiddellijke ingang wenst te beëindigen per 15 okto-ber 1994, legt de werkgever zich daarbij neer. Als de opdracht vervolgens wordt verstrekt aan de maatschap waartoe de werknemer is toegetreden, vordert de werkgever een schadevergoeding primair wegens het niet in acht nemen van de opzegtermijn ex art. 1639o lid 4 BW (oud) respectievelijk art. 1639r lid 1 BW (oud) en subsidiair ontbinding van de arbeidsovereenkomst en een schadevergoeding op grond van wanprestatie. De kantonrechter wijst de primaire vordering af omdat het gaat om beëindiging met wederzijds goedvinden en draagt de werkgever op te bewijzen dat de werknemer heeft toegezegd de opdracht te zullen voltooien in dienst van de werkgever. De kantonrechter acht de werkgever geslaagd in het bewijs en veroordeelt de werknemer tot een schadevergoeding wegens een wanprestatie. De rechtbank bekrachtigt het vonnis. De Hoge Raad overweegt dat bewilliging in het ontslag tot gevolg heeft dat geen nakoming kan worden gevorderd van de toezegging om de werkzaamheden tot 1 januari 1995 te zullen uitvoeren. De bewilliging vormt echter geen beletsel een schadevergoeding te vorderen in geval van toerekenbare tekortkoming in de nakoming van de toezegging. De rechtbank heeft dit oordeel voldoende gemotiveerd. Dat de werknemer slechts schadeplichtig is ingeval van ernstige fouten, opzet of bewuste roekeloosheid, gaat in dit geval niet op nu deze maatstaf ex art. 7:661 lid 1 BW slechts geldt voor schade die de werknemer zijn werkgever toebrengt bij de uitvoering van de overeengekomen werkzaamheden. In dit geval gaat het om schade die voortvloeit uit het niet nakomen van de toezegging. De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Verder lezen
Terug naar overzicht