Hoge Raad 16-04-1999 K/Stokvis, JAR 1999, 104


Ontslag op staande voet. Ontbinding gewichtige redenen. Ontbinding gewichtige redenen verzoek werknemer. Schadeloosstelling. Loon.

Zie voor de complete uitspraak JAR 1999, 104.

Een adjunct-directeur (twee jaar in dienst, salaris NLG 6105,01 bruto per maand) wordt op staande voet ontslagen onder andere wegens ongeoorloofd verzuim en omdat hij zich niet heeft gemeld ondanks diverse verzoeken van de werkgever. De werknemer beroept zich op nietigheid en verzoekt ontbinding van de arbeidsovereenkomst met een vergoeding. De werkgever verzoekt eveneens ontbinding van de arbeidsovereenkomst, zij het voorwaardelijk en zonder vergoeding. De kantonrechter wijst het verzoek van de werkgever af en dat van de werknemer toe met een vergoeding van NLG 18.315,-- bruto uitgaande van de veronderstelling dat de arbeidsovereenkomst nog niet was geëindigd. De werknemer vordert een verklaring voor recht dat het ontslag op staande voet nietig is en doorbetaling van loon, vermeerderd met de wettelijke verhoging en wettelijke rente. De kantonrechter overweegt dat er geen sprake is geweest van een dringende reden en oordeelt het ontslag op staande voet nietig en wijst de loonvordering toe. De rechtbank vernietigt het vonnis en wijst de vordering af. In cassatie verwerpt de Hoge Raad het beroep onder verwijzing naar de conclusie van het OM. Volgens het OM neemt de werknemer ten onrechte als uitgangspunt dat de ontbindingsbeschikking onvoorwaardelijk is gegeven en dat door het oordeel van de rechtbank dat het ontslag op staande voet rechtsgeldig is, de rechtskracht aan de ontbindingsbeschikking met terugwerkende kracht wordt ontnomen. Het OM is van oordeel dat het gesloten stelsel van rechtsmiddelen meebrengt dat aan een ontbindingsbeschikking ook nog rechtskracht toekomt als de arbeidsovereenkomst op het in de beschikking bepaalde tijdstip niet meer bestaat (zie HR 21-03-1997 Informatica Drenthe/Rolf, RvdW 1997, 73, NJ 1997, 380, Rechtspraakoverzicht Arbeidsrecht 1997, blz. 100). De rechtskracht heeft overigens geen betekenis voor dit loonvorderingsgeschil. Volgens vaste jurisprudentie wettigt de aard van de ontbindingsprocedure ex art. 1639w BW (oud) niet te aanvaarden dat in een volgend geding bindende kracht toekomt aan een beslissing zoals hier aan de orde. Het stond de rechtbank in de loonvorderingsprocedure vrij een zelfstandig en van de ontbindingsbeschikking afwijkend oordeel te geven over de geldigheid van het ontslag op staande voet.

Terug naar overzicht