Hoge Raad 17-12-1999 (Thuiszorg/Plum), RvdW 2000, 8, JOL 1999, 251, NJ 2000, 171, JAR 2000, 29


Kennelijk onredelijk ontslag. Schadeloosstelling. Bewijs.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2000, 29.

Een werkneemster, 25 jaar in dienst als gezinsverzorgster bij een thuiszorginstelling (salaris NLG 1.346,09 bruto per vier weken op basis van een 16-urige werkweek) wordt na een ingetrokken ontslag op staande voet met toestemming van de RDA ontslagen. De werkneemster vordert een verklaring voor recht dat het ontslag kennelijk onredelijk is en een vergoeding van NLG 100.000,-- bruto, omdat haar geen enkele financiële vergoeding is toegekend. De kantonrechter wijst de vordering af. De rechtbank veroordeelt de werkgever tot betaling van NLG 54.000,--, waarvan NLG 14.000,-- als suppletie op werkneemsters' uitkering en NLG 40.000,-- ter zake van pensioenschade. Omdat niet duidelijk is of het bedrag netto of bruto is, wijst de rechtbank een herstelvonnis met de overweging de werkneemster een netto vergoeding te hebben willen toekennen en veroordeelt werkgever tot betaling van het bruto equivalent van NLG 54.000,--. Omdat de rechtbank per abuis verzuimt de procureur van de werkgever de gelegenheid te geven te reageren, wijst de rechtbank opnieuw herstelvonnis waarin zij blijft bij de eerder gegeven veroordeling. De werkgever gaat tegen alledrie de vonnissen in cassatie. Volgens de Hoge Raad is de rechtbank uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting door te overwegen dat het op de weg van de werkgever ligt aan te tonen dat het belang van de werkgever bij beëindiging van de arbeidsovereenkomst, in verhouding tot het belang van de werknemer bij voortzetting daarvan evident is en dat het ontbreken van een financiële regeling gerechtvaardigd is. Daarbij heeft de rechtbank miskend dat de stelplicht en de bewijslast op de werkneemster rusten. Zonder nadere motivering is onbegrijpelijk de overweging van de rechtbank dat de positie van de werkneemster op de arbeidsmarkt niet al te rooskleurig is, temeer daar er in werkneemsters' functie meer dan voldoende werk is te vinden. Terecht is de klacht dat het vonnis waarin een bedrag van NLG 54.000,-- is toegekend, onduidelijk is. De rechtbank heeft wel overwogen dat NLG 100.000,-- bruto niet passend is, doch heeft niet gemotiveerd waarom NLG 54.000,-- netto wél passend is. De vonnissen kunnen derhalve niet in stand blijven. Bovendien zijn de herstelvonnissen niet toelaatbaar omdat verbetering alleen is toegestaan indien er sprake is van een kennelijke en kenbare verschrijving. Ook is er sprake van schending van het beginsel van hoor en wederhoor omdat de werkgever zich over de verbetering niet heeft kunnen uitlaten. De Hoge Raad vernietigt de vonnissen en verwijst de zaak naar het Hof.

Verder lezen
Terug naar overzicht