Hoge Raad 19-01-2001 (Gerrits/De Bie), RvdW 2001, 36, JOL 2001, 49, NJ 2001, 264, JAR 2001, 26


Ziekte. Loon. Bereidheid bedongen arbeid. Matiging loonvordering.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2001, 26.

De werkgever heeft een werknemer (tien jaar in dienst, salaris NLG 2.958,40 bruto per maand) ontslag aangezegd aanvankelijk per 1 januari 1995, later per 13 februari 1995. De werknemer heeft zich op 12 januari 1995 ziek gemeld. Op 24 maart 1995 heeft de werknemer laten weten dat hij weer aan het werk kon, maar de werkgever heeft hem niet toegelaten omdat de werknemer reeds was ontslagen. Vervolgens heeft de werknemer zich weer ziek gemeld en de nietigheid van het per 13 februari 1995 aangezegde ontslag ingeroepen. De werknemer heeft vervolgens een loonvordering ingesteld en tewerkstelling gevorderd. Per 4 september 1995 is de werknemer hersteld verklaard. De werknemer heeft dit niet aan werkgever laten weten en niet kenbaar gemaakt dat hij zich beschikbaar hield. In hoger beroep heeft de rechtbank overwogen dat een werknemer die gedurende een lange tijd wegens ziekte niet in staat is te werken, zijn werkgever op de hoogte dient te stellen dat hij weer beter is verklaard. Het feit dat de werkgever heeft laten weten dat hij geen prijs meer stelt op verdere werkzaamheden van de werknemer maakt dit niet anders omdat het herstel aanleiding kan zijn een eerder standpunt te herzien. De werknemer heeft zich eerst bij memorie van grieven (9 september 1997) laten weten dat hij zich nog immer beschikbaar hield. Het cassatiemiddel betoogt dat de werknemer met het inroepen van de nietigheid en het vorderen van loondoorbetaling en wedertewerkstelling zich bereid heeft verklaard. Voorts komt het op tegen de overweging van de rechtbank dat onderzocht moet worden of de werknemer pogingen heeft ondernomen om zijn inkomensschade te beperken door ander werk te zoeken. De Hoge Raad overweegt dat de werknemer ervan mocht uitgaan dat de werkgever hem ook na 4 september 1995 - de datum van zijn hersteldverklaring - niet meer zou toelaten tot het werk. Van de werknemer, die op 19 april 1995 de nietigheid van het hem per 13 februari 1995 aangezegde ontslag had ingeroepen, kon dan ook niet verwacht worden dat hij na zijn herstel aan de werkgever zou kenbaar maken dat hij nog steeds bereid was de bedongen arbeid te verrichten. Dit zou anders kunnen zijn indien de werknemer had kunnen begrijpen dat de werkgever inmiddels zijn standpunt dat hij de werknemer niet meer wenste toe te laten tot het werk, had gewijzigd. Indien de rechter tot matiging van een loonvordering wil overgaan, is hij gehouden alle bijzonderheden van het geval in onderling verband in aanmerking te nemen. Tot die bijzonderheden kan behoren dat de werknemer, die de bedongen arbeid niet meer behoefde te verrichten, zich al dan niet voldoende heeft ingespannen om elders aan de slag te komen. …

Terug naar overzicht