Hoge Raad 19-02-1999 Lahjaji/Muyres, RvdW 1999, 37, NJ 1999, 428


Bedrijfsongeval.

Een werknemer overkomt tijdens zijn werkzaamheden een bedrijfsongeval tengevolge waarvan hij blijvend arbeidsongeschikt raakt. Bijna 18 jaar later vordert de werknemer een schadevergoeding primair op grond van art. 1638x BW (oud) en subsidiair op grond van onrechtmatige daad. De kantonrechter wijst de vordering toe in tegenstelling tot de rechtbank. De Hoge Raad overweegt dat destijds op grond van art. 1638x BW (oud) de werkgever verplicht was de werknemer de schade te vergoeden, die hem in de uitoefening van zijn dienstbetrekking was overkomen. Op grond van de Ongevallenwet verviel die aansprakelijkheid van de werkgever voor de werknemer, die minder dan het dagloon conform de Coördinatiewet Sociale Verzekering verdiende. Dat was in dit geval zo, dus de werknemer kon zijn werkgever niet op grond van art. 1638x BW (oud) of art. 1401 BW (oud) aansprakelijk stellen. Deze uitzondering is nadien vervallen door het intrekken van de Ongevallenwet en de inwerkingtreding van de WAO per 1 juli 1967. Uit de Liquidatiewet blijkt echter dat de gewijzigde aansprakelijkheid op grond van art. 1638x BW (oud) niet geldt voor gevallen die zich hebben voorgedaan voor de wetswijziging. Volgens de Hoge Raad kan in het midden blijven of naar de huidige rechtsopvattingen (verdergaande bescherming van de werknemer) art. 1638x BW (oud) in verband met art. 93 Ongevallenwet buiten de toepassing moest worden gelaten. Ook kan niet worden aanvaard dat de overgangsbepalingen in de Liquidatiewet in strijd zijn met de huidige rechtsopvattingen en dat de voor de intrekking van de Ongevallenwet geldende regeling buiten toepassing moet worden gelaten. Het beroep op discriminatie gaat niet op, omdat de werknemer niet aangeeft om welke bepaling het gaat en bovendien niet eerder een beroep op discriminatie heeft gedaan, hetgeen in strijd is met art. 407 Rv. Voorts is de Hoge Raad van oordeel dat de oude regeling niet buiten toepassing moet worden gelaten voor zover de schade van de werknemer op grond van de Ongevallenwet is vergoed en de werkgever voor het overige wel aansprakelijk zou zijn. Er bestaat bovendien geen aanleiding tot heroverweging van HR 08-01-1960, NJ 1960, 127, waarin de Hoge Raad overwoog dat op grond van de wetsgeschiedenis art. 93 Ongevallenwet zo moet worden uitgelegd dat alle uit het burgerlijk recht voortvloeiende verplichtingen van de werkgever tot vergoeding van door de werknemer geleden schade komen te vervallen. De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Terug naar overzicht