Hoge Raad 19-11-1999 R/Escom, JAR 1999, 276


Ontslag op staande voet (fraude). Bewijs. Aansprakelijkheid werknemer.

Zie voor de complete uitspraak JAR 1999, 276.

Een verkoper, ruim één jaar in dienst, salaris NLG 3.086,-- bruto per maand, wordt op staande voet ontslagen wegens fraude. De werknemer, die uit hoofde van zijn functie verantwoordelijk is voor de afstorting van de dagopbrengsten van het filiaal waar hij werkzaam is, zou een zestal dagopbrengsten niet bij de bank hebben gedeponeerd. De werknemer roept de nietigheid in en vordert een verklaring voor recht en doorbetaling van loon vermeerderd met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente. De werkgever, die de werknemer aansprakelijk acht voor de schade, vordert in reconventie NLG 56.285,90. De kantonrechter acht de werkgever niet geslaagd in het bewijs van de dringende reden en wijst de vordering van de werknemer toe. De rechtbank oordeelt met betrekking tot de reconventionele vordering van de werkgever dat aannemelijk dient te worden dat de werknemer het filiaal verlaten heeft met de genoemde dagopbrengsten en dat deze niet in de nachtkluis van de bank zijn gestort. De rechtbank komt tot de conclusie dat de werknemer zich deze bedragen opzettelijk heeft toegeëigend en acht de reconventionele vordering in beginsel toewijsbaar. De werknemer gaat in cassatie. De Hoge Raad is van oordeel dat de klacht dat de rechtbank voorbij is gegaan aan de stelling van de werknemer dat het zeer wel zo zou kunnen zijn dat bij de bank zelf iets onregelmatigs heeft plaats gehad, faalt. Kennelijk heeft de rechtbank geoordeeld dat de werknemer door te stellen dat de mogelijkheid bestaat dat wel degelijk afstortingen hebben plaats gehad, maar dat bij de bank zelf iets onregelmatigs heeft plaats gevonden, daarmee niet voldoende de stelling van de werkgever heeft betwist, dat de dagomzetten in werkelijkheid niet bij de bank zijn aangekomen. Dit oordeel berust op een waardering van de feiten, hetgeen aan de rechter is voorbehouden. Het oordeel is ook niet onbegrijpelijk, gezien de procedure die door de bank is voorgeschreven voor het openen van cassettes die zich in een nachtkluis bevinden en het verwerken van de inhoud daarvan. Volgens de beschrijving van de procedure die door de werknemer niet wordt betwist, zijn daarbij vier bankmedewerkers betrokken. De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Terug naar overzicht