Hoge Raad 20-10-2000 (Foekens/Naim), JAR 2000, 238


Bedrijfsongeval. Aansprakelijkheid werkgever.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2000, 238.

Een werknemer verricht werkzaamheden aan treinstellen in een door een derde aan de werkgever ter beschikking gestelde loods. Er breekt brand uit en omdat de loods is bekleed met brandbaar isolatiemateriaal breidt het vuur zich snel uit. De werknemer loopt letsel op, waarvoor hij de werkgever op grond van art. 6:174 lid 1 BW jo art. 6:181 lid 1 BW aansprakelijk acht, omdat deze de loods in de uitoefening van zijn bedrijf gebruikte. De rechtbank wijst de vordering van de werknemer toe. Het Hof bekrachtigt het vonnis, overwegende dat het feit dat de loods na de brand is herbouwd met gebruikmaking van vrijwel niet brandbaar isolatiemateriaal, doet vermoeden dat minder brandbaar isolatiemateriaal had moeten worden toegepast. Het Hof gaat er dan ook van uit dat de loods niet voldeed aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mocht stellen. Volgens de Hoge Raad is dit geen onjuiste rechtsopvatting. Voor 1995 stelde art. 1405 BW (oud) als vereiste voor aansprakelijkheid voor gebouwen, dat er sprake was van "instorting" als gevolg van een "verzuim van onderhoud" of van een "gebrek in de bebouwing of inrichting". Dit vereiste is komen te vervallen met invoering van art. 6:174 BW. Op grond van dit artikel is men aansprakelijk ingeval een opstal niet voldoet aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mag stellen. Het gaat daarbij om eisen (net zoals voor 1992 gold) die men uit oogpunt van veiligheid aan de opstal mag stellen. Het feit dat een opstal in algemene zin voldoet aan alle veiligheidsvoorschriften van de brandweer en de arbeidsinspectie wil niet zeggen dat de opstal voldoet in de zin van art. 6:174 BW aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mag stellen. De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Verder lezen
Terug naar overzicht