Hoge Raad 21-01-2000 (P/Hema), RvdW 2000, 26, JOL 2000, 35, NJ 2000, 190, JAR 2000, 45


Wederzijds goedvinden. Ontslag op staande voet (diefstal).

Zie voor de complete uitspraak JAR 2000, 45.

Een 57-jarige verkoopchef (35 jaar in dienst, salaris NLG 6.703,54 bruto per maand), komt met zijn werkgever beëindiging van de arbeidsovereenkomst overeen per 30 september 1995. Op grond van het zogenaamde principe-akkoord zal de werkgever de sociale zekerheidsuitkering van de werknemer aanvullen. Op zijn laatste werkdag, 29 juli 1995, neemt de werknemer zonder toestemming en zonder te betalen twee flessen motorolie à NLG 4,95 mee. De werknemer wordt twee dagen later, op de dag dat hij met vakantie gaat, geschorst en na terugkeer van zijn vakantie volgt een ontslag op staande voet. De werkgever acht zich niet meer gebonden aan hetgeen is overeengekomen. De werknemer roept de nietigheid van het ontslag in en vordert nakoming van de beëindigingsovereenkomst, stellende dat er geen sprake is van diefstal maar van een door de emoties van de laatste werkdag veroorzaakte vergeetachtigheid. Bovendien is de dringende reden niet onverwijld medegedeeld. De werkgever vordert in reconventie voorwaardelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens wanprestatie. De kantonrechter verklaart het ontslag nietig wegens het ontbreken van de onverwijldheid, ontbindt de arbeidsovereenkomst met doorbetaling van loon tot aan de ontbindingsdatum en bepaalt dat de werkgever niet gehouden is tot nakoming van de beëindigingsovereenkomst. De rechtbank vernietigt het vonnis en wijst de vordering af en bekrachtigt in reconventie het vonnis slechts met betrekking tot het niet gehouden zijn aan de beëindigingsovereenkomst. De Hoge Raad stelt voorop dat er sprake is van een dringende reden indien door daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, van de werkgever redelijkerwijs niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Daarbij moeten alle omstandigheden van het geval, ook de persoonlijke zoals leeftijd en het gevolg van het ontslag, in aanmerking worden genomen. Zelfs indien de gevolgen ingrijpend zijn, kan er sprake zijn van een dringende reden die beëindiging van de arbeidsovereenkomst rechtvaardigt (zie HR 12-02-1999, S/E, NJ 1999, 643, RvdW 1999, 33, JAR 1999, 102, Rechtspraakoverzicht Arbeidsrecht 1999, blz. 170). In aanmerking genomen dat het zonder betalen meenemen van de motorolie heeft plaatsgevonden op de laatste werkdag, dat eerder vergrijp niet is komen vast te staan, dat de beëindigingsovereenkomst is komen te vervallen en dat de werknemer in verhouding tot het vergrijp ernstig financieel nadeel lijdt, had de rechtbank deze omstandigheden moeten betrekken bij de vraag naar de dringendheid van de reden. Door dit na te laten heeft de rechtbank blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting respectievelijk is er sprake van onvoldoende motivering. Met betrekking tot de onverwijldheid van de dringende reden is de Hoge Raad met de rechtbank van…

Terug naar overzicht