Hoge Raad 21-09-2001 (Van Berkel/Tournier), JAR 2001, 201, RvdW 2001, 145, JOL 2001, 480, NJ 2001, 617


Pensioen (Afkoop). Schadeloosstelling.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2001, 201.

Een deelnemer in pensioenregeling is in het kader van de beëindiging van zijn dienstverband met zijn werkgever en een stichting Beheer de afkoop van onder andere een weduwepensioen overeengekomen. Na overlijden spreekt de weduwe van de (voormalig) deelnemer de (ex-)werkgever aan tot uitbetaling van het weduwepensioen in maandelijkse termijnen. De Rechtbank oordeelt dat de weduwe zich kan beroepen op de nietigheid van de afkoop in strijd met art. 32 Pensioen- en spaarfondsenwet (PSW). Het middel betoogt dat alleen aan de deelnemer het recht toekomt zich op die bepaling te beroepen. De Hoge Raad overweegt dat volgens art. 32 lid 4 PSW een pensioen of aanspraak op pensioen niet kan worden afgekocht behoudens de in deze bepaling genoemde uitzonderingen. Daaraan voegt het zevende lid toe dat elk beding dat hiervan afwijkt nietig is. Deze bepalingen strekken niet alleen ter bescherming van een deelnemer als bedoeld in art. 1 lid 1 onder g PSW, maar ook ter bescherming van derden, zoals de weduwe van een deelnemer, aan wie ingevolge een bij de pensioentoezegging gemaakt beding pensioen, in de zin van art. 1 lid 1 onder a, toekomt. Anders dan het middel betoogt kon derhalve niet alleen de deelnemer maar in ieder geval ook de weduwe zich op de in art. 32 lid 7 PSW vervatte nietigheidsgrond beroepen. Derhalve mist ook dit onderdeel doel

Terug naar overzicht