Hoge Raad 22-06-2001 (ETCM/X), JOL 2001, 394


Onkostenvergoeding. Loon. Minimumloon.

Een werknemer vordert achterstallig loon, vakantietoeslag en overwerktoeslag plus afgifte van alle loonstroken vanaf 1 juli 1993 tot 31 december 1995. De kantonrechter wijst de vordering bij tussenvonnis grotendeels toe. Daarnaast laat de kantonrechter de werkgever toe te bewijzen dat de vakantiebijslag is uitbetaald en de werknemer te bewijzen overwerk te hebben verricht. De werkgever gaat van het tussenvonnis in beroep. De rechtbank is van oordeel dat een onkostenvergoeding niet is aan te merken als loon in de zin van de Wet op het Minimumloon, zodat een dergelijke vergoeding buiten beschouwing moet blijven bij beantwoording van de vraag of het minimumloon is uitbetaald. De rechtbank bekrachtigt het vonnis en verwijst de zaak naar de kantonrechter. De werkgever gaat hiervan in appèl. Het OM concludeert tot verwerping van het beroep. Hoewel de advocaat van de werkgever schriftelijk reageert op deze conclusie, legt de Hoge Raad de reactie terzijde omdat de termijn van twee weken is verstreken. De Hoge Raad verwerpt het beroep zonder nadere motivering op grond van art. 101a RO

Terug naar overzicht