Hoge Raad 23-06-2000 (Thuiszorg/Van Ierland), RvdW 2000, 163, JOL 2000, 366, JAR 2000, 163, NJ 2000, 585


Bereidheid bedongen arbeid. Ziekte.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2000, 163.

Een gezinshulp wordt arbeidsongeschikt wegens hartklachten en wordt na het eerste ziektejaar in het genot gesteld van een WAO-uitkering op basis van een arbeidsongeschiktheidpercentage van 35-45%, waarbij zij derhalve gedeeltelijk werkt. Nadat de bedrijfsvereniging de werkneemster vervolgens volledig arbeidsongeschikt verklaart, laat de werkgever de werkneemster, ondanks haar protest, niet meer toe tot het werk. Enkele maanden later wordt de WAO-uitkering ingetrokken omdat de werkneemster in staat wordt geacht ander passend werk te verrichten. De werkneemster acht zich echter volledig in staat haar eigen werk te verrichten en de bestuursrechter geeft haar daarin gelijk, waarna de werkgever haar in staat stelt haar werkzaamheden te hervatten. Over de tussenliggende (bijna) twee jaar vordert de werkneemster loon onder aftrek van de in die periode ontvangen uitkering (WW?). In alle instanties wordt die vordering toegewezen. Het standpunt dat de werkgever af mocht gaan op het oordeel van de bedrijfsvereniging en dientengevolge het niet werken in de risicosfeer van de werkneemster lag wordt verworpen. De Hoge Raad overweegt terzake dat het standpunt van de werkgever in zijn algemeenheid niet als juist kan worden aanvaard wanneer het, zoals hier, gaat om een werknemer die, zichzelf niet ongeschikt achtend om het eigen werk te verrichten, zich bereid verklaart dit werk te verrichten en achteraf blijkt inderdaad niet ongeschikt voor het eigen werk te zijn geweest. Ook de vraag of de werkneemster het gederfd loon kon verhalen op de bedrijfsvereniging is niet een relevante omstandigheid voor de vraag in wiens sfeer het loonbetalingsrisico ligt.

Terug naar overzicht