Hoge Raad 24-09-1999 Bleij/Stegman, RvdW 1999, 130, NJ 1999, 755


Overwerk. Loon. Verjaring.

Een werknemer stelt vanaf 1992 tot en met 1995 1052 uren overwerk te hebben verricht en vordert betaling van achterstallig loon. Volgens de werkgever zijn er geen overuren gemaakt en indien ze wel zijn gemaakt dan zijn ze gecompenseerd. Met betrekking tot de niet-gecompenseerde overuren is er sprake van afstand van recht respectievelijk van rechtsverwerking. De kantonrechter gelast comparitie van partijen, behandelt alle verweren van de werkgever en bespreekt de bewijsopdracht aan de werkgever terzake van de compensatie van de overuren, indien partijen er niet uitkomen. De opvolgende kantonrechter laat echter de werknemer toe te bewijzen dat hij herhaaldelijk de werkgever kenbaar heeft gemaakt dat hij uitbetaling van overuren wenste en dat deze beloofde dat de overuren te zijner tijd gecompenseerd zouden worden. In hoger beroep is de rechtbank van oordeel dat de kantonrechter tijdens de comparitie van partijen voor het zich voordoende geval dat partijen niet tot overeenstemming zouden komen, niet een bindende eindbeslissing heeft gegeven, maar een voorlopig oordeel over de geschilpunten en dat werknemer er dus niet op mocht vertrouwen dat in een volgend vonnis de werkgever met de bewijsopdracht zou worden belast. Volgens de Hoge Raad is dit oordeel niet onbegrijpelijk en behoeft dit geen nadere motivering. De rechtbank heeft niet miskend dat enkel stilzitten onvoldoende is om rechtsverwerking aan te nemen. De rechtbank heeft ook van belang geacht dat de werknemer steeds genoegen heeft genomen met uitbetaling van loon zonder overuren en niettemin zeer veel overuren is blijven maken. De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Terug naar overzicht