Hoge Raad 25-02-2000 (Schepers/AVO), RvdW 2000, 71, JOL 2000, 135, JAR 2000, 84, NJ 2000, 311


RDA-vergunning. Kennelijk onredelijk ontslag.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2000, 84.

Een chef-monteur (18 jaar in dienst, salaris NLG 3.621,-- bruto per maand) wordt met toestemming van de RDA ontslagen. De toestemming is verleend onder de voorwaarde dat binnen zes maanden na beëindiging van de arbeidsovereenkomst geen werknemers in dienst worden genomen voor het verrichten van dezelfde werkzaamheden alvorens de werknemer daartoe in de gelegenheid te stellen. De werknemer vordert op grond van kennelijk onredelijk ontslag een schadevergoeding van NLG 65.000,--, stellende dat de werkgever in strijd met de aan de ontslagvergunning verbonden voorwaarde handelt, door gebruik te maken van uitzendkrachten. Bovendien zijn de gevolgen van het ontslag te ernstig voor de werknemer. De kantonrechter is van oordeel dat het ontslag kennelijk onredelijk is en kent een vergoeding van NLG 10.000,-- bruto toe. De werknemer, die inmiddels zijn vordering heeft verminderd tot NLG 30.000,-- bruto, gaat in hoger beroep. De kantonrechter heeft het ontslag namelijk alleen kennelijk onredelijk geacht wegens het ontbreken van een passende vergoeding. Ook de werkgever gaat in hoger beroep. De rechtbank behandelt eerst de grief van de werkgever als zijnde het meest verstrekkend en laat de werknemer toe te bewijzen dat zijn werk thans door uitzendkrachten wordt gedaan. De rechtbank acht de werknemer daarin niet geslaagd en wijst de vordering af. De Hoge Raad is van oordeel dat de rechtbank door zonder nadere motivering de grief dat de gevolgen van het ontslag voor de werknemer te ernstig zijn achterwege te laten, zijn oordeel dat er geen sprake is van een kennelijk onredelijk ontslag onvoldoende met redenen heeft omkleed. De Hoge Raad verwerpt het beroep tegen het tussenvonnis en vernietigt het eindvonnis van de rechtbank en verwijst de zaak naar het Hof.

Verder lezen
Terug naar overzicht