Hoge Raad 25-06-1999 Driessen/Boulidam, RvdW 1999, 107, JAR 1999, 149, NJ 1999, 601


Kennelijk onredelijk ontslag. Ziekte. Schadeloosstelling.

Zie voor de complete uitspraak JAR 1999, 149.

Een 49-jarige werknemer (bijna 25 jaar in dienst als sloper/sorteerder) wordt na twee jaar arbeidsongeschiktheid met toestemming van de RDA ontslagen. De werknemer acht het ontslag kennelijk onredelijk omdat er geen enkele voorziening is getroffen en hem een WW-uitkering is toegekend, nu hij alleen voor het werk bij de werkgever volledig arbeidsongeschikt is. De kantonrechter acht het ontslag niet kennelijk onredelijk, in tegenstelling tot de rechtbank, die de gevolgen voor de werknemer, gezien de getroffen voorzieningen (1 maand extra salaris) en de onmogelijkheid ander passend werk te vinden, te ernstig acht. De rechtbank kent een vergoeding toe van NLG 30.000,-- bruto. De Hoge Raad begrijpt de motivering van de rechtbank zo, dat de rechtbank onderschreef dat de werknemer was "afgedankt", omdat het werk hem kennelijk te zwaar was geworden en hij na 25 jaar kennelijk te oud en vooral te zwak is geworden het werk nog langer te kunnen verrichten. Onder deze omstandigheden gaat het - hoewel de werknemer nog wel andere lichte werkzaamheden zou kunnen verrichten doch beperkt is in zijn mogelijkheden deze te vinden - niet aan hem zonder behoorlijke vergoeding naar huis te sturen. Volgens de Hoge Raad heeft de rechtbank de vraag naar het causale verband tussen de arbeidsongeschiktheid en de aard van het werk in het midden gelaten. Niet beslissend was of de werknemer arbeidsongeschikt is geworden doordat hij zo lang het werk heeft gedaan. Voldoende was dat hij arbeidsongeschikt is geworden nadat hij het werk zo lang heeft gedaan. Niet gezegd kan worden dat deze motivering onbegrijpelijk is, noch getuigt van een onjuiste rechtsopvatting (zie HR 01-12-1978, NJ 1979, 185). De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Terug naar overzicht