Hoge Raad 26-05-2000 (X/Y), JOL 2000, 311, JAR 2000, 152, NJ 2000, 566


Overgang onderneming. Wederzijds goedvinden. Ontbinding gewichtige redenen verzoek werknemer.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2000, 152.

Een werknemer met een dienstverband van 12 jaar verklaart schriftelijk dat hij zijn arbeidsovereenkomst niet wil voortzetten na overgang van de onderneming, waarbij het bedrijf op een andere locatie wordt voortgezet. De werkgever bevestigt drie weken later de beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Bijna drie maanden later verzoekt de werknemer ontbinding van de arbeidsovereenkomst met de nieuwe werkgever en een vergoeding van NLG 55.000,-- bruto. De kantonrechter verklaart de werknemer niet-ontvankelijk omdat er geen arbeidsovereenkomst met de nieuwe werkgever is ontstaan. De rechtbank bekrachtigt de beschikking. De Hoge Raad overweegt dat de rechtbank een juiste maatstaf heeft gehanteerd door te oordelen dat het vereiste van een duidelijke en ondubbelzinnige verklaring ook geldt in de verhouding tussen de werknemer en de "oude" werkgever, die ten tijde van de verklaring nog zijn werkgever was. Het oordeel dat de verklaring mocht worden opgevat als een duidelijke en ondubbelzinnige beëindiging van de lopende arbeidsovereenkomst is niet onbegrijpelijk en behoeft geen nadere motivering. De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Terug naar overzicht