Hoge Raad 26-10-2001 (X/Kotrac), JOL 2001, 568


Wederzijds goedvinden. Bewijs. Dienstbetrekking echtpaar.

De arbeidsovereenkomst van een PR functionaris, tevens lid van het managementteam (13 jaar in dienst, salaris NLG 6.437,50 bruto per maand) wordt op 15 september 1994 beëindigd op grond van bedrijfseconomische omstandigheden. Dit wordt de werkneemster op 22 september medegedeeld door haar echtgenoot, directeur/enig aandeelhouder van de beheermaatschappij van de werkmaatschappij, waar zij werkt. De werkneemster gaat stilzwijgend akkoord en verricht in het vervolg werkzaamheden op uurbasis. De kantonrechter ontbindt de arbeidsovereenkomst voorwaardelijk per 1 mei 1996 zonder vergoeding. De werkneemster vordert vervolgens een verklaring voor recht dat de arbeidsovereenkomst heeft voortgeduurd en loon vanaf 1 september 1994 tot en met 1 mei 1996. Zij stelt dat er geen sprake is geweest van ontslag maar van opschorting van de loonbetalingsplicht in verband met financiële problemen van het familiebedrijf. De kantonrechter acht de werkgever niet geslaagd in het bewijs dat de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden is geëindigd en de werkneemster zich na 15 september 1994 feitelijk niet meer beschikbaar heeft gesteld voor haar werk. De kantonrechter wijst de loonvordering gematigd toe, in tegenstelling tot de rechtbank die de werkgever wel geslaagd in het bewijs acht en de loonvordering afwijst Het OM overweegt dat op de arbeidsovereenkomst in beginsel de regels van het algemeen overeenkomstenrecht van toepassing zijn. Partijen kunnen hun arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden beëindigen door middel van instemming met de opzegging. Gezien de ernstige gevolgen voor de werknemer (gevaar voor het recht op een WW-uitkering) worden aan de instemming hoge eisen gesteld: zij dient duidelijk en ondubbelzinnig te zijn. De bewijslast van de instemming, die overigens besloten kan liggen in één of meerdere gedragingen, rust op de werkgever, die zijn oordeel naar behoren dient te motiveren. Het OM is van oordeel dat de rechtbank is uitgegaan van de juiste maatstaf (duidelijk en ondubbelzinnig) en dat het oordeel dat er van instemming sprake was, feitelijk van aard is en niet onbegrijpelijk. Omdat het zonder protest aanvaarden van de ontslagmededeling op zich onvoldoende is voor een duidelijke en ondubbelzinnige instemming heeft de rechtbank zijn oordeel mede gebaseerd op de gedragingen van de werkneemster na het ontslag (declareren van haar werkzaamheden op uurbasis) en op haar bijzondere positie (lid van het managementteam en echtgenote van de directeur). Bovendien heeft de werkneemster zich pas een jaar later op het standpunt gesteld dat de arbeidsovereenkomst is blijven bestaan. Het OM concludeert tot verwerping van het beroep en de Hoge Raad besluit conform zonder nadere motivering op grond van art. 101a RO

Terug naar overzicht