Hoge Raad 26-11-1999 Verhoeven/Sport Service, RvdW 1999, 182, JAR 1999, 277


Hoger beroep ontbinding gewichtige redenen. Bepaalde tijd.

Zie voor de complete uitspraak JAR 1999, 277.

Een stichting die zich bezig houdt met het uitlenen van trainers aan sportverenigingen, verzoekt ontbinding van de arbeidsovereenkomst van een tennistrainer, twee jaar in dienst op basis van een verlengde arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van een jaar. Nadat een tennisvereniging de relatie met de stichting heeft opgezegd, vanwege conflicten met de betreffende tennistrainer, verzoekt de werkgever een ontslagvergunning. Als de RDA weigert, wordt de werknemer op basis van een nieuwe arbeidsovereenkomst gedetacheerd bij een andere tennisvereniging. De werkgever verzoekt vervolgens met terugwerkende kracht ontbinding van de oude arbeidsovereenkomst. De kantonrechter overweegt dat hoewel het zeer ongebruikelijk is een arbeidsovereenkomst met terugwerkende kracht te ontbinden, er in dit geval voldoende redenen zijn, nu de nieuwe arbeidsovereenkomst de oude moet vervangen. De werknemer gaat in beroep wegens schending van fundamentele rechtsbeginselen. De rechtbank verklaart de werknemer ontvankelijk doch acht zijn beroep ongegrond. Volgens de Hoge Raad heeft de rechtbank terecht overwogen dat de Hoge Raad bij arrest van 9 oktober 1992 (NJ 1992, 771, Rechtspraakoverzicht Arbeidsrecht 1992, blz. 165) heeft uitgemaakt dat een rechter die een arbeidsovereenkomst met terugwerkende kracht ontbindt, daarmee niet treedt buiten het toepassingsgebied van art. 7:685 BW. Het beroep op art. 7 EVRM gaat niet op omdat deze bepaling geen betrekking heeft op een civielrechtelijke procedure en aan art. 6 EVRM kan geen aanspraak op volledige herbeoordeling van de uitspraak van de kantonrechter worden ontleend. Het oordeel van de rechtbank dat de ontbinding met terugwerkende kracht ook niet kan worden aangemerkt als schending van een zo fundamenteel rechtsregel, dat van eerlijke en onpartijdige behandeling niet meer kan worden gesproken, is juist. Een dergelijk rechtsoordeel kan slechts getoetst worden aan de maatstaf of de kantonrechter daarmee buiten het toepassingsgebied van art. 7:685 BW is getreden. De rechtbank is er terecht van uitgegaan dat het appèlverbod van art. 7:685 lid 11 BW alleen wordt doorbroken als er sprake is van schending van een zo fundamenteel beginsel van behoorlijke rechtspleging dat geen sprake is van een eerlijke en onpartijdige behandeling. Getoetst aan deze maatstaf geeft het oordeel dat de beweerde aanvulling door de kantonrechter van de feiten een niet zodanige schending vormde, geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het feit dat de kantonrechter tijdens de mondelinge behandeling van het verzoek betaling tot 1 juni 1998 aan de orde heeft gesteld, en uiteindelijk als ontbindingsdatum 1 april 1998 vaststelt, betekent niet dat de kantonrechter partijen over deze voorgenomen datum had moeten horen alvorens te beslissen. Het oordeel van de rechtbank dat deze verrassingsbeslissing geen grond is voor vernietiging van de beschikking, geeft eveneens geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. De Hoge Raad…

Terug naar overzicht