Hoge Raad 28-01-2000 (FNV/Douwe Egberts), RvdW 2000, 35, JOL 2000, 59, JAR 2000, 63, NJ 2000, 292


Staking. Vakvereniging.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2000, 63.

Onder werknemers van een grote onderneming ontstaat onrust als de werkgever zijn plannen bekend maakt voor een belangrijke herstructurering van de organisatie, waarbij activiteiten en werknemers bij derden zullen worden ondergebracht. Naar aanleiding hiervan spreken de werkgever en de vakvereniging alvast over de condities waaronder uitbesteding zou kunnen plaatsvinden. Wanneer de vakvereniging laat weten dat acties zullen volgen als de werkgever niet akkoord gaat met de eis dat de werknemers in dienst van de werkgever moeten blijven, schort de werkgever de onderhandelingen op, stellende eerst een studie naar de toekomstige structuur te willen laten verrichten. Naar aanleiding van de daarop uitbrekende stakingen vordert de werkgever in kort geding de vakverenigingen met onmiddellijke ingang te verbieden op te roepen tot staking op verbeurte van een dwangsom van NLG 2.000.000,--. De president (Utrecht 10-11-1997, JAR 1997, 258, Rechtspraakoverzicht Arbeidsrecht 1997, blz. 382) wijst de vordering toe onder matiging van de dwangsom tot NLG 1.000.000,--. Het Hof (Amsterdam 26-02-1998, JAR 1998, 69, Rechtspraakoverzicht Arbeidsrecht 1998, blz. 357) bekrachtigt het vonnis. De Hoge Raad gaat met het Hof ervan uit dat een staking op grond van art. 6 aanhef en onder 4 ESH moet worden geduld als een erkend grondrecht. Desalniettemin kan de staking onrechtmatig zijn indien zwaarwegende procedureregels zijn veronachtzaamd en met inachtneming van art. 31 ESH moet worden geconcludeerd dat gelet op de omstandigheden de vakvereniging in redelijkheid niet tot deze staking had kunnen komen (zie HR 30-07-1986, NJ 1986, 688). De in art. 31 ESH gestelde beperkingen spelen pas een rol als de procedureregels in acht zijn genomen. Dat wil zeggen dat het door art. 6 ESH gewaarborgde recht op collectief onderhandelen niet daadwerkelijk op een andere wijze tot gelding kan worden gebracht. Een staking is slechts rechtmatig indien als uiterste redmiddel toegepast. De vraag of dit hier zo is, dient met terughoudendheid te worden beantwoord. Het gaat hier niet alleen om uitoefening van een grondrecht. Beantwoording van de vraag of in een conflictsituatie nog een ander middel dan een staking kan worden gebruikt, hangt af van de waardering van omstandigheden en van taxaties omtrent de met dat middel te bereiken resultaten. Het oordeel van het Hof dat ook een staking slechts als uiterste middel mag worden gehanteerd en dat de rechter zich te dien aanzien terughoudend moet opstellen, is derhalve juist. De vraag of in dit geval de staking als uiterste middel is gehanteerd heeft het Hof ontkennend beantwoord. Het Hof heeft de staking als volstrekt voorbarig en prematuur geoordeeld. Dit oordeel geeft geen blijk van een…

Verder lezen
Terug naar overzicht